Type bewerking - gewaardeerd tov ploegen 20-30 cm diep
De hier voorgestelde bewerkingstypes verwijzen naar de hoofdbewerking, maar maken elk deel uit van een ruimer bewerkingssysteem waarbinnen doorgaans ook zaaibedbereiding en zaaien/poten plaatsvinden.
Op de impact van zaaibedbereidingsmachines en zaaimachines wordt in deze tabel niet verder ingegaan, maar wordt verwezen naar C.1.9.4 in het geschreven rapport.
Link: C.1


































 



NKG - tot ploegdiepte (20-30 cm diep):
NKG = niet-kerende grondbewerking, gedefinieerd als elk systeem waarbij het intensief keren of mengen van de grond wordt uitgesloten.
In de praktijk komt dit min of meer overeen met ploegloos telen; in de Zuid-Limburgse (NL) erosieverordening wordt ook ploegen tot 12 cm diep als NKG beschouwd.
Bij bewerking tot ploegdiepte gebeurt dit bv. met een decompactor, tandcultivator of woeler.
Link: C.1.1 en C.1.9.4
 



































 



NKG - oppervlakkig (5-12 cm diep)
NKG = niet-kerende grondbewerking, gedefinieerd als elk systeem waarbij het intensief keren of mengen van de grond wordt uitgesloten.
In de praktijk komt dit min of meer overeen met ploegloos telen; in de Zuid-Limburgse (NL) erosieverordening wordt ook ploegen tot 12 cm diep als NKG beschouwd.
Ondiepe NKG (te vergelijken met een zaaibedbereiding) gebeurt bv. met een schijveneg of rotorkopeg.
Link: C.1.1 en C.1.9.4
 





































 



Directzaai
Directe inzaai of directzaai is de methode waarbij het hoofdgewas wordt ingezaaid in de gewasresten van de vorige teelt of van een doodgevroren of doodgespoten groenbedekker, zonder dat de gewasresten worden ondergewerkt.
De gewasresten blijven hierbij doorgaans gedurende de opkomst van het nieuwe hoofdgewas ongestoord boven op de grond liggen.
Link: C.1.1
 



































 



Mulching
Met "mulching" wordt verwezen naar het bedekken van of licht inwerken in de bodem van organisch materiaal afkomstig van gewasresten, stro of groenbedekkers.
Bodembewerking is in de praktijk doorgaans bepalend voor het residubeheer, en de effecten van beiden zijn dan ook moeilijk strikt van elkaar te onderscheiden. Met deze maatregel willen we expliciet het effect aangeven van mulching.
Link: C.1.1
 


































 



Teeltrotatie
Gewaskeuze en gewasopvolging binnen een rotatie worden vertaald in een teeltrotatie.
Link: C.2
 







































 



Monocultuur snijmaïs

in onze contreien heeft geleid tot enge rotaties.
Zo hebben de melkveebedrijven vaak nog maar twee gewassen, zijnde grasland en maïs. Het merendeel van de maïs wordt onrijp geoogst en volledig verhakseld (grofgemalen). Het wordt als snijmaïs of kuilmaïs voornamelijk aan rundvee gevoederd (voedermaïs).
Link: C.2.2.1
 





































 



Gevarieerde teeltrotatie

Onder een gevarieerde teeltrotatie wordt hier begrepen het gevarieerd afwisselen van gewassen met een verschillende groeikarakteristiek (bv ondiep en diep wortelend) en een verschillend zaai- en oogsttijdstip.
De rijkdom of variatie van een teeltrotatie neemt bv. ook toe bij het achterwege laten van braak, het uitbreiden van een rotatie met meer gewassen, het telen van groenbedekkers, of het omschakelen van een monocultuur naar rotatie.
Link: C.2.1 en C.2.2

 


































 



Aardappelen/bieten in de teeltrotatie

Aardappelen en (suiker)bieten vormen een belangrijk aandeel van de akkerbouwgewassen in Nederland en Vlaanderen.
Deze rooigewassen worden doorgaans geassocieerd met een relatief intensieve bodemverstoring.
Zie ook C.1.7
 






































 



Graangewassen in de teeltrotatie

Graangewassen (met name tarwe en gerst) vormen een belangrijk aandeel van de akkerbouwgewassen in Nederland en Vlaanderen.
Ondanks de op dit moment relatief beperkte financiële opbrengst geassocieerd met deze graangewassen, zijn ze vanuit bodemkwalitatief standpunt doorgaans erg waardevol.

 






































 



(Tijdelijk) grasland in de teeltrotatie

Ook in een akkerbouwsysteem kan de tijdelijke inbouw van grasland in de teeltrotatie een waardevolle maatregel zijn.
Met name de permanente bedekking, beworteling en aanvoer van organisch materiaal zijn vanuit bodemkwalitatief standpunt doorgaans erg interessant.
Link: C.2.5
 






































 



Groenbedekkers

Een groenbedekker kan gedefinieerd worden als een gewas dat voor het in stand houden of verbeteren van de fysische, chemische en biologische bodemcondities wordt geteeld.
Dit gewas levert in vele gevallen geen te verkopen of in de bedrijfsvoering te gebruiken product op.
Het algemene effect van de teelt van groenbedekkers, wordt beschreven in de begeleidende tekstjes horende bij deze 1e rij "groenbedekkers". Specifieke karakteristieken en nuances voor grasachtigen, bladrijken en vlinderbloemigen, worden hieronder in kaart gebracht, indien relevant om te onderscheiden van de algemene trend. Voor soortspecifieke karakteristieken wordt verder verwezen naar Bijlage I.
Link: C.3
 



































 



Grasachtige groenbedekker

Van deze groenbedekkers worden vaak Italiaans of Engels raaigras gebruikt, en minder frequent ook Westerwolds raaigras, rogge of haver.
Link: C.3.5.1 en Bijlage I
 






































 



Bladrijke groenbedekker

Vaak zijn dit kruisbloemigen.
Regelmatig gebruikte soorten in onze contreien zijn gele mosterd, bladrammenas, facelia en bladkool.
Link: C.3.5.2 en Bijlage I
 






































 



Vlinderbloemige groenbedekker

Van de vlinderbloemigen worden klaversoorten wellicht meest gebruikt.
Minder gekend maar zeer interessant zijn bv. wikke en lupine.
Kenmerkend voor vlinderbloemigen is hun stikstoffixerend vermogen: ze zijn in staat om stikstof uit de lucht vast te leggen.
Link: C.3.5.2 en Bijlage I
 






































 



Bemestingsregime
Onder meststoffen worden deze stoffen verstaan die voedingsstoffen leveren aan de plant of de bodem.
Daarnaast kunnen deze stoffen ook een bodemverbeterende werking hebben.
Een onderscheid wordt hier gemaakt tussen minerale mest, dierlijke meststoffen en compost.
Link: C.4
 






































 



Toepassing minerale mest

Minerale mest bevat geen organische stof.
Link: C.4.1

 







































 



Toepassing dierlijke mest

Dierlijke meststoffen bevatten organische stof naast anorganische stoffen.
Ze kunnen op basis van inhoud en vorm in een drietal groepen worden onderverdeeld: drijfmest of mengmest, vaste mest, en gier.
Link: C.4.1
 





































 



Toepassing compost

Compost bestaat uit (stabiele) organische componenten (humus), minerale componenten en bodemorganismen.
Het uitgangsmateriaal kan zowel van plantaardige als dierlijke oorsprong zijn.
De grote variatie aan uitgangsmaterialen en composteringsomstandigheden zorgt ervoor dat de samenstelling en de eigenschappen van compost heel variabel zijn.
Link: C.4.1