Met name grotere organismen blijken sterk
gevoelig te zijn voor bodembewerking. Iedere vorm van mechanische verstoring
heeft sowieso een directe impact op de bodemfauna door het fysiek doden,
verwonden en blootstellen aan predatie tijdens de bewerking, en een indirecte
impact door het vernietigen van hun habitat. Hoe intensiever en dieper die
bewerking, hoe ernstiger de schade.
Onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai zijn regenwormen reeds op korte termijn (1 tot enkele
jaren) talrijker en actiever, dankzij de aanwezigheid van een beschermende laag, meer
bodemvocht, een hoger voedselaanbod (gewasresten) en minder vernieling van
gangen. In een aantal proeven wordt deze bevinding genuanceerd, en geeft men
aan dat er geen grote verschillen zijn in totale hoeveelheid wormen, maar wel
in totale biomassa en soortensamenstelling.
Op basis van hun gedrag en morfologische kenmerken worden drie grote groepen
wormen onderscheiden: de strooiselwormen, de bodemwoelers en de diepgravers.
Het positief effect van omschakeling naar gereduceerde bodembewerking is
daarbij relatief grootst voor de diepgravende soorten (ook pendelaars of
Anekische wormen genoemd), en met name voor Lumbricus
terrestris. Deze pendelaars zijn vanuit
landbouwkundig standpunt de meest functionele soorten, niet in het minst met
het oog op erosiebestrijding. Hun diepe, permanente verticale gangen fungeren
daarbij als drainagekanalen bij hevige neerslag.
Link: C.1.4