Criterium   Biologische bodemeigenschappen
Maatregelen Micro-organismen[1] Schimmel/bacterie ratio[2] Nematoden[3] Regenwormen[4]
  Toplaag (1) Toplaag (1)    
Type bewerking - gewaardeerd tov ploegen 20-30 cm diep[5] x[6] x[7] x[8] x[9]
NKG - tot ploegdiepte (20-30 cm diep)[10] +[11] [12] (+)[13] ++[14]
NKG - oppervlakkig (5-12 cm diep)[15]
Directzaai[16]
Mulching[17] ++[18] [19]   +[20]
         
Teelrotatie[21] x[22] x[23] x[24] x[25]
Monocultuur snijmaïs[26] (-)[27] [28] (-)[29] (-)[30]
Gevarieerde teeltrotatie[31] +[32] +-[33] +[34] +[35]
Aardappelen/bieten in de teeltrotatie[36] +-[37] [38] +-[39] -[40]
Graangewassen in de teeltrotatie[41] +[42] (↘)[43] (+)[44]
(Tijdelijk) grasland in de teeltrotatie[45] +[46] [47] (-)[48] +[49]
         
Groenbedekkers[50] +[51] +-[52] +-[53] +[54]
Grasachtige groenbedekker[55]  
Bladrijke groenbedekker[56]  
Vlinderbloemige groenbedekker[57]  
         
Bemestingsregime[58]     +-[59]  
Toepassing minerale mest[60] +-[61] [62] +-[63] +-[64]
Toepassing dierlijke mest[65] ++[66] +-[67] +-[68] ++[69]
Toepassing compost[70] [71] +-[72] +[73]

[1]
Micro-organismen vormen de groep met de kleinste levende organismen in de bodem. Dit zijn bv. schimmels, bacteriën of protozoa.
Link: A.2.3
[2]
De schimmel/bacterie verhouding geeft de biomassa schimmels weer in verhouding tot de biomassa bacteriën. Ze kan een indicatie geven van de graad van verstoring van het bodemecosysteem.
Link: B.5.6
[3]
Nematoden of aaltjes vormen een groep van duizenden soorten levende organismen, waarvan een klein aantal ziekteverwekkend (pathogeen) kan zijn. Of een verandering positief dan wel negatief te noemen is, hangt dus af van de samenstelling van de nematodengemeenschap. Ze kunnen opgedeeld worden in verschillende functionele groepen, naargelang hun levens- en voedingsstrategie. Zo zijn er bv. schimmel-, bacterie- en zelfs nematoden-etende nematoden.

Link: A.2.3
[4]
Regenwormen behoren tot de macrofauna, en kunnen met het blote oog onderscheiden worden. Op basis van hun gedrag en morfologische kenmerken worden drie grote groepen onderscheiden: de strooiselwormen, de bodemwoelers en de diepgravers. Die laatsten worden ook pendelaars of Anekische wormen genoemd. Deze pendelaars zijn vanuit landbouwkundig standpunt de meest functionele soorten, niet in het minst met het oog op erosiebestrijding. Hun diepe, permanente verticale gangen fungeren daarbij als drainagekanalen bij hevige neerslag
Link: A.2.3
[5]
De hier voorgestelde bewerkingstypes verwijzen naar de hoofdbewerking, maar maken elk deel uit van een ruimer bewerkingssysteem waarbinnen doorgaans ook zaaibedbereiding en zaaien/poten plaatsvinden.
Op de impact van zaaibedbereidingsmachines en zaaimachines wordt in deze tabel niet verder ingegaan, maar wordt verwezen naar C.1.9.4 in het geschreven rapport.
Link: C.1
[6]
Bodemfauna en -flora worden sterk beïnvloed door bodembewerking, vaak als gevolg van gewijzigde fysische en/of chemische bodemomstandigheden, en het daarmee samenhangende bodemklimaat.  Algemeen kan gesteld worden dat een vermindering van de intensiteit of frequentie van bodembewerking steeds een positieve bijdrage zal leveren aan de bodembiodiversiteit. De term "positief" dient hier echter genuanceerd te worden, aangezien naast functionele organismen ook ziekte- en plaagverwekkende soorten gestimuleerd kunnen worden...
Effecten zijn echter soortafhankelijk. De invloed van verstoring is doorgaans het grootst voor grotere soorten die zich minder makkelijk verplaatsen, of die in diepere bodemlagen niet kunnen overleven. Zo resulteert intensieve verstoring bv. in het stimuleren van bacteriën, en het benadelen van schimmels.
Link: C.1.4
[7]
Aangezien de invloed van verstoring doorgaans het sterkst is voor grotere soorten die makkelijker verwond raken en zich minder makkelijk verplaatsen, resulteert intensieve verstoring in het stimuleren van (de kleine en mobiele) bacteriën, en het benadelen van (de grotere en loggere) schimmels. De schimmel/bacterie ratio daalt dus.
Hoe minder intensief de verstoring daarentegen, des te groter het relatief voordeel voor schimmels.
Link: C.1.4.1
[8]
Tussen verschillende soorten nematoden bestaat een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities.
Het type bodembewerking en de daaruit voortvloeiende verandering in chemische, fysische en biologische bodemcondities heeft op die manier vermoedelijk vooral een
invloed op de samenstelling van de nematodenpopulatie, eerder dan een impact op het nematodenaantal.
Link: C.1.4
[9]
Met name grotere organismen blijken sterk gevoelig te zijn voor bodembewerking. Iedere vorm van mechanische verstoring heeft sowieso een directe impact op de bodemfauna door het fysiek doden, verwonden en blootstellen aan predatie tijdens de bewerking, en een indirecte impact door het vernietigen van hun habitat. Hoe intensiever en dieper die bewerking, hoe ernstiger de schade.
Link: C.1.4
[10]
NKG = niet-kerende grondbewerking, gedefinieerd als elk systeem waarbij het intensief keren of mengen van de grond wordt uitgesloten. In de praktijk komt dit min of meer overeen met ploegloos telen; in de Zuid-Limburgse (NL) erosieverordening wordt ook ploegen tot 12 cm diep als NKG beschouwd.
Bij bewerking tot ploegdiepte gebeurt dit bv. met een decompactor, tandcultivator of woeler.
Link: C.1.1 en C.1.9.4
[11]
Onder directzaai of niet-kerende grondbewerking (NKG) neemt de microbiële biomassa in omvang toe in de toplaag (5 tot 20 cm diep). Dit is grotendeels het gevolg van betere bodemfysische omstandigheden, een gunstig waterhoudend vermogen, minder extreme variaties in temperatuur en vochtgehalte, en een geleidelijke toename van organische koolstof in de toplaag. Meer nog dan het bewerkingstype, wordt de microbiële biomassa positief beïnvloed door het behoud van organisch materiaal (onder andere gewasresidu) op het veld.

Algemeen kan trouwens gesteld worden dat een vermindering van de intensiteit of frequentie van bodembewerking steeds een positieve bijdrage zal leveren aan de bodembiodiversiteit. De term "positief" dient hier echter genuanceerd te worden, aangezien naast functionele organismen ook ziekte- en plaagverwekkende soorten gestimuleerd kunnen worden...
Effecten zijn verder soortafhankelijk. De invloed van verstoring is doorgaans het grootst voor grotere soorten die zich minder makkelijk verplaatsen, of die in diepere bodemlagen niet kunnen overleven. Zo resulteert intensieve verstoring bv. in het stimuleren van bacteriën, en het benadelen van schimmels.

Link: C.1.4
[12]
Aangezien de invloed van verstoring doorgaans het sterkst is voor grotere soorten die makkelijker verwond raken en zich minder makkelijk verplaatsen, resulteert intensieve verstoring in het stimuleren van (de kleine en mobiele) bacteriën, en het benadelen van (de grotere en loggere) schimmels.
Een
gereduceerde bodembewerking (zoals niet-kerende grondbewerking of directzaai) zal daarentegen beide groepen stimuleren. Desalniettemin is het voordeel vaak relatief groter voor de schimmels, met een stijgende schimmel/bacterieverhouding tot gevolg. Het is belangrijk op te merken dat die stijging voornamelijk plaatsvindt in het gewasresidu, en dus nabij het bodemoppervlak (0-10 cm).
Link: C.1.4.1
[13]
Hoewel enkel studies melding maken van een globale toename van nematoden (aaltjes), veroorzaakt een omschakeling naar niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai vermoedelijk vooral een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities; omstandigheden die door het type bewerking beïnvloed zullen worden.
Eén bewering is dat onder gereduceerde bodembewerking met behoud van gewasresten het aandeel vrijlevende (gunstige) nematoden zou stijgen, maar algemeen kan men concluderen dat er op heden onvoldoende data zijn om een betrouwbare voorspelling te maken.
Link: C.1.4
[14]
Met name grotere organismen blijken sterk gevoelig te zijn voor bodembewerking. Iedere vorm van mechanische verstoring heeft sowieso een directe impact op de bodemfauna door het fysiek doden, verwonden en blootstellen aan predatie tijdens de bewerking, en een indirecte impact door het vernietigen van hun habitat. Hoe intensiever en dieper die bewerking, hoe ernstiger de schade.
Onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai zijn regenwormen reeds
op korte termijn (1 tot enkele jaren) talrijker en actiever, dankzij de aanwezigheid van een beschermende laag, meer bodemvocht, een hoger voedselaanbod (gewasresten) en minder vernieling van gangen. In een aantal proeven wordt deze bevinding genuanceerd, en geeft men aan dat er geen grote verschillen zijn in totale hoeveelheid wormen, maar wel in totale biomassa en soortensamenstelling.
Op basis van hun gedrag en morfologische kenmerken worden drie grote groepen wormen onderscheiden: de strooiselwormen, de bodemwoelers en de diepgravers. Het positief effect van omschakeling naar gereduceerde bodembewerking is daarbij relatief grootst voor de diepgravende soorten (ook pendelaars of Anekische wormen genoemd), en met name voor
Lumbricus terrestris. Deze pendelaars zijn vanuit landbouwkundig standpunt de meest functionele soorten, niet in het minst met het oog op erosiebestrijding. Hun diepe, permanente verticale gangen fungeren daarbij als drainagekanalen bij hevige neerslag.
Link: C.1.4
[15]
NKG = niet-kerende grondbewerking, gedefinieerd als elk systeem waarbij het intensief keren of mengen van de grond wordt uitgesloten. In de praktijk komt dit min of meer overeen met ploegloos telen; in de Zuid-Limburgse (NL) erosieverordening wordt ook ploegen tot 12 cm diep als NKG beschouwd.
Ondiepe NKG (te vergelijken met een zaaibedbereiding) gebeurt bv. met een schijveneg  of rotorkopeg.
Link: C.1.1 en C.1.9.4
[16]
Directe inzaai of directzaai is de methode waarbij het hoofdgewas wordt ingezaaid in de gewasresten van de vorige teelt of van een doodgevroren of doodgespoten groenbedekker, zonder dat de gewasresten worden ondergewerkt. De gewasresten blijven hierbij doorgaans gedurende de opkomst van het nieuwe hoofdgewas ongestoord boven op de grond liggen.
Link: C.1.1
[17]
Met "mulching" wordt verwezen naar het bedekken van of licht inwerken in de bodem van organisch materiaal afkomstig van gewasresten, stro of groenbedekkers.
Bodembewerking is in de praktijk doorgaans bepalend voor het residubeheer, en de effecten van beiden zijn dan ook moeilijk strikt van elkaar te onderscheiden. Met deze maatregel willen we expliciet het effect aangeven van mulching.
Link: C.1.1
[18]
Het behoud van organisch materiaal op het veld beïnvloedt meer nog dan het bewerkingstype de microbiële biomassa. Algemeen kan gesteld worden dat de microbiële biomassa in omvang toeneemt in de toplaag. Dit is grotendeels het gevolg van betere bodemfysische omstandigheden, een gunstig waterhoudend vermogen, minder extreme variaties in temperatuur en vochtgehalte, en een geleidelijke toename van organische koolstof in de toplaag.
Link: C.1.4
[19]
Bij behoud van organisch materiaal op het veld, wordt vaak een toenemende schimmeldominantie en dus een stijgende schimmel/bacterie verhouding waargenomen nabij het bodemoppervlak (0-10 cm diep). Toch hangt die eventuele verandering sterk af van de kwaliteit van het uitgangsmateriaal, en dus de afbreekbaarheid ervan.
Link: C.1.4.1

[20]
Regenwormen zijn talrijker en actiever bij behoud van organisch materiaal op het veld, ondermeer dankzij de aanwezigheid van een beschermende laag, meer bodemvocht, en een hoger voedselaanbod.
Link: C.1.4
[21]
Gewaskeuze en gewasopvolging binnen een rotatie worden vertaald in een teeltrotatie.
Link: C.2
[22]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij doorgaans met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijker afbreekbaar organisch materiaal dat veel koolstof en relatief weinig stikstof bevat. Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan en kwaliteit van organisch materiaal. Ook uitscheidingsstoffen van wortels kunnen een rol spelen.
Link: C.2.2.3
[23]
Hoewel afhankelijk van meerdere factoren (denk ook aan bemestingsregime en bodembewerking), zou elk gewas een specifieke schimmel/bacterie verhouding stimuleren. Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn. Ook de bacteriële groeisnelheid ligt hoger onder eenjarige teelten wat wijst op de aanwezigheid van meer snelgroeiende bacteriën, die snel kunnen reageren op de meer onregelmatige input van organisch materiaal.
Verder speelt ook de
kwaliteit van het organisch materiaal (van oogstresten) een rol. Doorgaans wordt de bacteriële biomassa gestimuleerd door toediening van organisch materiaal met veel stikstof en snel afbreekbare organische verbindingen, daar waar de schimmelbiomassa stijgt bij toediening van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal.
Deze hypotheses kunnen echter moeilijk worden aangetoond met data van lange termijn experimenten.
Link: C.2.2.3
[24]
De gewaskeuze binnen een teeltrotatie zorgt vermoedelijk voor een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen, voorkeur voor bepaalde gewassen en voorkeur voor fysieke leefcondities; aspecten die door teeltkeuze en -rotatie beïnvloed worden.
Enerzijds kunnen gewassen een bron van voedsel vormen voor nematoden (men spreekt van waardplanten), anderzijds kunnen ze ook aaltjesonderdrukkend werken. Gewaskeuze, net als keuze van groenbedekkers, vervult op die manier een belangrijke rol in de bestrijding van schadelijke nematoden. Voor meer informatie wordt verwezen naar www.aaltjesschema.nl.
Algemeen zouden onder akkerland vooral de bacterivore nematoden overheersen terwijl in permanent grasland voornamelijk plantparasitaire (schadelijke) nematoden voorkomen (in respons op het uitgebreide wortelstelsel onder grasland).
Link: C.2.2.3
[25]
De effecten van de teeltkeuze en -rotatie op de regenwormenpopulatie worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt, de eventuele aanvoer van organisch materiaal via boven- en ondergrondse gewasresten, de afscheiding van bepaalde stoffen door levende wortels, en het bodemklimaat (temperatuur en vochtigheid) geassocieerd met een bepaalde teelt.
Hoe intensiever en dieper de bewerking, hoe ernstiger de eventuele schade aan de regenwormenpopulatie.
Gewasresten fungeren als een bron van voedsel, en kunnen bovendien een gunstig habitat creeëren.
Link: C.2.2.3
[26]
De toenemende specialisatie in de landbouwsector in onze contreien heeft geleid tot enge rotaties. Zo hebben de melkveebedrijven vaak nog maar twee gewassen, zijnde grasland en maïs. Het merendeel van de maïs wordt onrijp geoogst en volledig verhakseld (grofgemalen). Het wordt als snijmaïs of kuilmaïs voornamelijk aan rundvee gevoederd (voedermaïs).
Link: C.2.2.1
[27]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij doorgaans met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijker afbreekbaar organisch materiaal dat veel koolstof en relatief weinig stikstof bevat. Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan en kwaliteit van organisch materiaal.
Een
monocultuur snijmaïs voegt weinig organisch materiaal onder de vorm van oogstresten toe aan de bodem, waardoor de microbïele biomassa eerder laag blijft. Een monocultuur blijkt ook vaker te resulteren in een minder diverse microbiële gemeenschap dan een rotatie van verschillende gewassen.
Link: C.2.2.3
[28]
Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn. Ook de bacteriële groeisnelheid ligt hoger onder eenjarige teelten wat wijst op de aanwezigheid van meer snelgroeiende bacteriën, die snel kunnen reageren op de meer onregelmatige input van organisch materiaal.
Link: C.2.2.3
[29]
De gewaskeuze binnen een teeltrotatie zorgt vermoedelijk voor een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities; omstandigheden die door de teelkeuze beïnvloed worden. Zo zouden onder akkerland vooral de bacterivore nematoden overheersen.
Onderzoek wijst ook uit dat onder akkerland de hoeveelheid vrijlevende (gunstige) nematoden hoger ligt in een gewasrotatie terwijl de
plantparasitaire nematoden de bovenhand nemen in een monocultuur.
Link: C.2.2.3
[30]
Het afwezig zijn van een permanente bodembedekking bij een monocultuur snijmaïs zorgt voor een grotere variabiliteit in bodemtemperatuur en vochtregime, wat de regenwormenpopulatie negatief beïnvloedt. Bovendien laat snijmaïs weinig tot geen oogstresten na: het gebrek aan voldoende voedsel en bodembedekking vormt zodoende een ernstige beperking.
Link: C.2.2.3
[31]
Onder een gevarieerde teeltrotatie wordt hier begrepen het gevarieerd afwisselen van gewassen met een verschillende groeikarakteristiek (bv ondiep en diep wortelend) en een verschillend zaai- en oogsttijdstip. De rijkdom of variatie van een teeltrotatie neemt bv. ook toe bij het achterwege laten van braak, het uitbreiden van een rotatie met meer gewassen, het telen van groenbedekkers, of het omschakelen van een monocultuur naar rotatie.
Link: C.2.1 en C.2.2
[32]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij doorgaans met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijker afbreekbaar organisch materiaal dat veel koolstof en relatief weinig stikstof bevat. Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan en kwaliteit van organisch materiaal.
Een
rotatie van verschillende gewassen resulteert vaak in een meer diverse en actieve microbiële gemeenschap dan een monocultuur. De grotere diversiteit aan oogstresten en stoffen afgescheiden door wortels in een rotatie geldt hier als een mogelijke verklaring.
Link: C.2.2.3
[33]
Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn. Ook de bacteriële groeisnelheid ligt hoger onder eenjarige teelten wat wijst op de aanwezigheid van meer snelgroeiende bacteriën, die snel kunnen reageren op de meer onregelmatige input van organisch materiaal.
Waargenomen werd dat een
afwisseling van één- en meerjarige teelten kan resulteren in een meer diverse microbiële gemeenschap.
Link: C.2.2.3
[34]
De gewaskeuze binnen een teeltrotatie zorgt vermoedelijk voor een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities; omstandigheden die door de teelkeuze en -rotatie beïnvloed worden. Zo zouden onder akkerland vooral de bacterivore nematoden overheersen.
Onderzoek wijst ook uit dat onder akkerland
de hoeveelheid vrijlevende (gunstige) nematoden hoger ligt in een gewasrotatie terwijl de plantparasitaire nematoden de bovenhand nemen in een monocultuur.
Link: C.2.2.3

[35]
Een teeltrotatie kan door een bewuste gewasopvolging en de toepassing van groenbedekkers zorgen voor een quasi permanente bodembedekking en zo de variabiliteit in bodemtemperatuur en vochtregime enigszins beperken. Ook het inbouwen van gewassen die relatief veel oogstresten nalaten (bv. granen, korrelmaïs) of het inpassen van tijdelijk grasland zorgt voor een substantiële aanvoer van organisch materiaal, een gunstig bodemklimaat, en zodoende een stijging in regenwormaantallen.
Link: C.2.2.3



[36]
Aardappelen en (suiker)bieten vormen een belangrijk aandeel van de akkerbouwgewassen in Nederland en Vlaanderen. Deze rooigewassen worden doorgaans geassocieerd met een relatief intensieve bodemverstoring.
Zie ook C.1.7

[37]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij doorgaans met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijker afbreekbaar organisch materiaal dat veel koolstof en relatief weinig stikstof bevat. Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan en kwaliteit van organisch materiaal.
Aardappelen brengen weinig organisch materiaal aan waardoor er weinig microbiële activiteit verwacht wordt. Bieten laten dan weer een aanzienlijke hoeveelheid makkelijk afbreekbare oogstresten achter, wat een stimulans voor de bacteriële populatie kan betekenen.
Link: C.2.2.3
[38]
Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn. Ook de bacteriële groeisnelheid ligt hoger onder eenjarige teelten wat wijst op de aanwezigheid van meer snelgroeiende bacteriën, die snel kunnen reageren op de meer onregelmatige input van organisch materiaal.
Verder speelt ook de kwaliteit van het organisch materiaal (van oogstresten) een rol: het snel afbreekbare en stikstofrijke organisch materiaal afkomstig van
bietenloof, stimuleert de bacteriële biomassa.
Link: C.2.2.3
[39]
De gewaskeuze binnen een teeltrotatie zorgt vermoedelijk voor een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities; omstandigheden die door de teelkeuze beïnvloed worden. Zo zouden onder akkerland vooral de bacterivore nematoden overheersen.
Voor specifieke gewassen zijn de effecten echter onvoldoende aangetoond met data van lange termijn experimenten.
Link: C.2.2.3

[40]
De aardappelteelt blijkt zeer nadelig te zijn voor regenwormen. Niet alleen blijven er na de oogst weinig oogstresten achter, deze teelt vereist ook meerdere, intensieve werkgangen en vaak een intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Ook de oogst zorgt voor een ernstige bodemverstoring die niet alleen de regenwormpopulatie schade toebrengt, maar ook de gangenstelsels vernietigt.
Bieten laten een aanzienlijke hoeveelheid oogstresten na op het veld maar de oogst van bieten vereist de verplaatsing van enorme hoeveelheden grond. Dit is nefast voor de regenwormpopulatie en het bijhorende gangestelsel.
Link: C.2.2.3
[41]
Graangewassen (met name tarwe en gerst) vormen een belangrijk aandeel van de akkerbouwgewassen in Nederland en Vlaanderen.
Ondanks de op dit moment relatief beperkte financiële opbrengst geassocieerd met deze graangewassen, zijn ze vanuit bodemkwalitatief standpunt doorgaans erg waardevol.

[42]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij doorgaans met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijker afbreekbaar organisch materiaal dat veel koolstof en relatief weinig stikstof bevat. Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan en kwaliteit van organisch materiaal.
Graangewassen leveren veel organisch materiaal na aan de bodem (stro, stoppel, wortels) wat ten goede komt aan het bodemleven, tenminste indien de oogstresten op het veld achterblijven.
Link: C.2.2.3
[43]
Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn. Ook de bacteriële groeisnelheid ligt hoger onder eenjarige teelten wat wijst op de aanwezigheid van meer snelgroeiende bacteriën, die snel kunnen reageren op de meer onregelmatige input van organisch materiaal.
Anderzijds speelt ook de kwaliteit van het organisch materiaal (van oogstresten) een rol: aangezien
stro van graangewassen relatief minder stikstof bevat en langzaam afbreekt, wordt de bacteriële biomassa hier minder gestimuleerd dan bv. het geval is met stikstofrijke oogstresten van groenten of bieten.
Link: C.2.2.3
[44]
Graangewassen leveren veel organisch materiaal na aan de bodem (stro, stoppel, wortels) wat ten goede komt van de regenwormenpopulatie, tenminste indien de oogstresten op het veld achterblijven.
De verstoring van de bodem bij de oogst is bovendien beperkt.
Link: C.2.2.3
[45]
Ook in een akkerbouwsysteem kan de tijdelijke inbouw van grasland in de teeltrotatie een waardevolle maatregel zijn. Met name de permanente bedekking, beworteling en aanvoer van organisch materiaal zijn vanuit bodemkwalitatief standpunt doorgaans erg interessant.
Link: C.2.5
[46]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij over het algemeen met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijk afbreekbaar of dood organisch materiaal (bevat veel koolstof en weinig stikstof). Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan organisch materiaal.
Onder
grasland ligt de microbiële biomassa significant (tot twee maal) hoger dan onder akkerland. Het grasland zorgt immers voor een constante aanvoer van organisch materiaal onder de vorm van boven- en ondergrondse plantenresten. Ook de levende wortels van de grassen spelen hier een belangrijke rol, ondermeer door het afscheiden van suikers en hormonen.
Link: C.2.2.3
[47]
Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten.
Link: C.2.2.3
[48]
De gewaskeuze binnen een teeltrotatie zorgt vermoedelijk voor een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities; omstandigheden die door de teelkeuze beïnvloed worden. Zo zouden onder akkerland vooral de bacterivore nematoden overheersen terwijl in permanent grasland relatief meer plantparasitaire (schadelijke) nematoden voorkomen. Ook de totale nematodenaantallen liggen meestal hoger onder permanent grasland. Dit in respons op het uitgebreide wortelstelsel onder grasland.
In welke mate deze effecten ook gelden voor een rotatie met
tijdelijk grasland, is onvoldoende duidelijk. Wellicht neemt dergelijk wisselbouwsysteem een tussenpositie in.
Link: C.2.2.3
[49]
Doorgaans is het aantal regenwormen heel wat hoger onder (permanent) grasland (400-1000 wormen/m²) dan onder akkerland (100-150 wormen/m²). Het grasland biedt immers een stabiele omgeving door de afwezigheid van bodembewerkingen en zorgt bovendien voor een overvloedig en relatief constant aanbod aan organisch materiaal (wortelresten en -uitscheidingsstoffen, afgestorven bovengrondse biomassa) dat dienst doet als voedselbron.
Tijdelijk grasland resulteert in gelijkaardige effecten, hoewel het scheuren en onderwerken ervan in korte tijd tot een sterke reductie van de wormenpopulatie kan leiden.
Link: C.2.2.3
[50]
Een groenbedekker kan gedefinieerd worden als een gewas dat voor het in stand houden of verbeteren van de fysische, chemische en biologische bodemcondities wordt geteeld. Dit gewas levert in vele gevallen geen te verkopen of in de bedrijfsvoering te gebruiken product op.
Het algemene effect van de teelt van groenbedekkers wordt beschreven in de begeleidende tekstjes horende bij deze 1e rij "groenbedekkers". Specifieke karakteristieken en nuances voor grasachtigen, bladrijken en vlinderbloemigen, worden verder per type in kaart gebracht, indien relevant om te onderscheiden van de algemene trend. Voor soortspecifieke karakteristieken wordt verder verwezen naar
Bijlage I.
Link: C.3
[51]
Het ingewerkte organisch materiaal van groenbedekkers vormt een bron van voedsel en stimuleert zo een actief en divers bodemleven. Ook de plantenwortels van de nog levende groenbedekkers spelen een belangrijke rol, ondermeer door het afscheiden van suikers en hormonen.
Link: C.3.2.5
[52]
Hoewel afhankelijk van meerdere factoren (denk ook aan bemestingsregime en bodembewerking), zou elk gewas een specifieke schimmel/bacterie verhouding stimuleren. Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn.
Link: C.2.2.3
[53]
De teelt van groenbedekkers oefent ook op de nematoden (aaltjes) een belangrijk effect uit. Aandacht gaat daarbij voornamelijk uit naar de effecten op ziekteverwekkende (plantparasitaire) nematoden. Enerzijds kunnen groenbedekkers waardplanten zijn voor nematoden. Dat betekent dat ze een bron van voedsel zijn en zo een brug vormen tussen twee andere teelten. Anderzijds kunnen groenbedekkers ook onderdrukkend werken. Dat betekent dat ze bv. stoffen afscheiden die schadelijk zijn voor een bepaalde groep nematoden, en zo ziekteverwekking vermijden. De soort groenbedekker speelt hierin een doorslaggevende rol, en een groenbedekker die de ene aaltjesgroep bestrijdt, kan het probleem met een andere groep net versterken. Zie ook effect op ziekte- en plaagdruk.
Link: C.3.2.5
[54]
Groenbedekkers hebben een belangrijk, doorgaans stimulerend effect op de macrofauna. Groenbedekkers (en met name de bovengrondse bladmassa) vormen niet alleen een bron van voedsel, maar zorgen ook voor een bodembedekking en dus een interessant habitat. Anderzijds is ook een negatieve impact is mogelijk, door afscheiding van bepaalde giftige stoffen (bv. isothiocyanaten) kort na het afdoden en inwerken van de groenbedekker. Onderzoek toont echter aan dat de negatieve impact heel beperkt en soms volledig afwezig is. Dit effect neemt snel af, en kan beperkt worden door niet te ploegen: onder een niet-kerende bewerking komen minder isothiocyanaten vrij door een vlottere afbraak en snellere vervluchtiging.
Link: C.3.2.5
[55]
Van deze groenbedekkers worden vaak Italiaans of Engels raaigras gebruikt, en minder frequent ook Westerwolds raaigras, rogge of haver.
Link: C.3.5.1 en Bijlage I
[56]
Vaak zijn dit kruisbloemigen. Regelmatig gebruikte soorten in onze contreien zijn gele mosterd, bladrammenas, facelia en bladkool.
Link: C.3.5.2 en Bijlage I
[57]
Van de vlinderbloemigen worden klaversoorten wellicht meest gebruikt. Minder gekend maar zeer interessant zijn bv. wikke en lupine. Kenmerkend voor vlinderbloemigen is hun stikstoffixerend vermogen: ze zijn in staat om N uit de lucht vast te leggen.
Link: C.3.5.2 en Bijlage I
[58]
Onder meststoffen worden deze stoffen verstaan die voedingsstoffen leveren aan de plant of de bodem. Daarnaast kunnen deze stoffen ook een bodemverbeterende werking hebben. Een onderscheid wordt hier gemaakt tussen minerale mest, dierlijke meststoffen en compost.
Link: C.4
[59]
Het aantal bacterie-etende nematoden en soms ook de plantenetende nematoden zijn het meest talrijk in landbouwbodems. Dit is normaal in verstoorde gronden. Er wordt verwacht dat bemesting eerder een impact heeft op de nematodengemeenschap dan op het aantal nematoden. Het relatieve aandeel bacterie-etende nematoden zou toenemen bij het toedienen van meststoffen met veel minerale stikstof en gemakkelijk afbreekbaar organisch materiaal (drijfmest). Het relatieve aandeel schimmeletende nematoden zou toenemen bij het toedienen van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal (compost, stalmest). Data van lange termijn experimenten wijzen echter uit dat verschillen tussen bemestingstypes  moeilijk aan te tonen zijn. 

Link: C.4.4.2
[60]
Minerale mest bevat geen organische stof.
Link: C.4.1
[61]
De impact van minerale bemesting op de microbiële biomassa  is beperkt in vergelijking met organisch bemeste velden.

Link: C.4.4.1
[62]
Minerale stikstof bevoordeelt bacteriën waardoor de schimmel/bacterie verhouding daalt. Het blijkt echter moeilijk om deze stelling aan te tonen met data van lange termijn experimenten.

Link: C.4.4.1
[63]
Het relatieve aandeel bacterie-etende nematoden zou toenemen bij het toedienen van meststoffen met veel minerale stikstof. Data van lange termijn experimenten wijzen echter uit dat verschillen tussen bemestingstypes  moeilijk aan te tonen zijn. 

Link: C.4.4.2
[64]
Het feit dat minerale bemesting zorgt voor een betere gewasgroei en dus meer gewasresten is positief voor de regenwormenpopulatie. Minerale bemesting kan echter ook negatief zijn voor regenwormen indien de stikstofdosissen te hoog zijn. Vooral verzurende meststoffen hebben een negatief effect.

Link: C.4.4.4
[65]
Dierlijke meststoffen bevatten organische stof naast anorganische stoffen. Ze kunnen op basis van inhoud en vorm in een drietal groepen worden onderverdeeld: drijfmest of mengmest, vaste mest, en gier.
Link: C.4.1
[66]
Over het algemeen stijgt de microbiële biomassa met hogere organische koolstofgehaltes van de bodem. Het toedienen van organische bemesting zoals dierlijke mest of compost verhoogt dus de microbiële biomassa. Hoewel verschillen te verwachten zijn tussen de verschillende organische mestsoorten, blijken die moeilijk aantoonbaar in veldproeven.

Link: C.4.4.1
[67]
Doorgaans wordt de bacteriële biomassa gestimuleerd door toediening van organisch materiaal met veel stikstof en snel afbreekbare organische verbindingen zoals drijfmest. De schimmelbiomassa stijgt daarentegen bij toediening van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal zoals stalmest. In lijn met die verwachtingen wordt een hogere schimmel/bacterie verhouding waargenomen bij regelmatige toediening van stalmest dan bij de toediening van drijfmest.

Link: C.4.4.1
[68]
Het relatieve aandeel bacterie-etende nematoden zou toenemen bij het toedienen van meststoffen met veel minerale stikstof en gemakkelijk afbreekbaar organisch materiaal (drijfmest). Het relatieve aandeel schimmeletende nematoden zou toenemen bij het toedienen van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal (stalmest). Data van lange termijn experimenten wijzen echter uit dat verschillen tussen bemestingstypes  moeilijk aan te tonen zijn. 

Link: C.4.4.2
[69]
Organische mest is over het algemeen gunstiger voor regenwormen dan minerale bemesting omdat het naast het stimuleren van gewasgroei via zijn organische component in extra voedsel voorziet. Grote hoeveelheden  meststoffen die hoge dosissen ammonium of zouten bevatten moeten echter worden vermeden omdat die toxisch kunnen zijn voor de regenwormen.
Experimenten wijzen uit dat stalmest en drijfmest het gunstigst zijn voor de regenwormenpopulatie. Meer onderzoek is echter nodig om dit te bevestigen.

Link: C.4.4.4
[70]
Compost bestaat uit (stabiele) organische componenten (humus), minerale componenten en bodemorganismen. Het uitgangsmateriaal kan zowel van plantaardige als dierlijke oorsprong zijn. De grote variatie aan uitgangsmaterialen en composteringsomstandigheden zorgt ervoor dat de samenstelling en de eigenschappen van compost heel variabel zijn.
Link: C.4.1
[71]
Doorgaans is de schimmelbiomassa hoger bij toediening van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal. Vooral houtige organische componenten kunnen hier een grote rol spelen. Op die manier zou de toediening van compost de schimmel/bacterie verhouding in de bodem kunnen verhogen, vooral wanneer het aandeel bruine componenten of onverteerd houtig materiaal relatief hoog is. Niet enkel de samenstelling van compost maar ook de composteerduur is bepalend voor de schimmel/bacterie verhouding in de compost: een langere composteerduur geeft een hogere verhouding.

Link: C.4.4.1
[72]
Het relatieve aandeel schimmeletende nematoden zou toenemen bij het toedienen van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal (compost). Data van lange termijn experimenten wijzen echter uit dat verschillen tussen bemestingstypes  moeilijk aan te tonen zijn. 

Link: C.4.4.2
[73]
Organische mest is over het algemeen gunstiger voor regenwormen dan minerale bemesting omdat het naast het stimuleren van gewasgroei via zijn organische component in extra voedsel voorziet.

Link: C.4.4.4