Criterium   Chemische bodemeigenschappen en -processen
Maatregelen OC-gehalte[1] pH[2] Mineralisatie[3] N-beschikbaarheid voor gewas[4] Nitraatverliezen[5]
  Toplaag (1) Ondergrond Toplaag (1) Toplaag (1) Ondergrond Korte termijn (2) Lange termijn  
Type bewerking - gewaardeerd tov ploegen 20-30 cm diep[6] x[7]              
NKG - tot ploegdiepte (20-30 cm diep)[8] +[9] -[10] [11] [12] [13] -[14] (+)[15] (+)[16]
NKG - oppervlakkig (5-12 cm diep)[17]
Directzaai[18] +[19] -[20]
Mulching[21] ++[22] (+)[23] +-[24] [25]   +[26] +-[27]
      Na oogst Na oogst Na oogst
Teelrotatie[28] x[29]   x[30] x[31] x[32]
Monocultuur snijmaïs[33] (-)[34]   +-[35] -[36] -[37]
Gevarieerde teeltrotatie[38] (+)[39]   (↗)[40] +[41] +[42]
Aardappelen/bieten in de teeltrotatie[43] (-)[44]   [45] (-)[46] +-[47]
Graangewassen in de teeltrotatie[48] (+)[49]   [50] (-)[51] +[52]
(Tijdelijk) grasland in de teeltrotatie[53] ++[54]   [55] ++[56] (-)[57]
  Toplaag (1) Ondergrond Toplaag (1) Na onderwerken Na onderwerken Tijdens groei
Groenbedekkers[58] +[59]   [60] (+)[61] +[62]
Grasachtige groenbedekker[63] ++[64] (+)[65]   [66] (+)[67] +[68]
Bladrijke groenbedekker[69] +[70]   [71] (+)[72] ++[73]
Vlinderbloemige groenbedekker[74] +[75] (+)[76]   [77] +[78] (+)[79]
        Korte termijn (2) Lange termijn  
Bemestingsregime[80]            
Toepassing minerale mest[81] (+)[82] +-[83] [84] ++[85] -[86]  
Toepassing dierlijke mest[87] +[88] +-[89] [90] +[91] +[92]  
Toepassing compost[93] ++[94] [95] [96] -[97]  

[1]
OC of organische koolstof is het aandeel (ongeveer 58%) van de organische stof dat uit koolstof bestaat. Onder organische stof wordt daarbij verstaan het organisch materiaal dat in de bodem werd afgebroken tot een onherkenbare materie (< 2mm). Hiertoe behoren micro-organismen en humus componenten.
Men spreekt van een
"gehalte" of concentratie als zijnde het gewichtspercentage organische koolstof in de bodem ten opzichte van het totale gewicht van een bepaalde bodemlaag.
Het gehalte mag niet verward worden met de
"voorraad", zijnde de totale massa organische koolstof per oppervlakte-eenheid (bv ton per ha), waarbij men de volledige dikte van de bodemlaag in rekening brengt.
Link: A.2.1.1
[2]
De pH geeft de zuurheid van de bodem weer. Merk op: een zure bodem heeft een lage pH, een basische bodem heeft een hoge pH.
Link: A.2.1.2
[3]
Mineralisatie is het proces waarbij organische verbindingen (gewasresten, plantenwortels, compost, dierlijke mest, organische stof) in of op de bodem door micro-organismen (bv. schimmels, bacteriën) worden omgezet in anorganische (minerale) verbindingen. Hierbij worden een aantal nutriënten (bv. stikstof, fosfor en zwavel) en koolstofdioxide (CO2) vrijgezet.
De dynamiek van koolstof- en stikstofmineralisatie is bijzonder complex, en wordt mede bepaald door weersomstandigheden en een brede waaier van bodemeigenschappen en -processen. Denk daarbij aan de bodemtemperatuur, het vochtgehalte en de toegankelijkheid tot organisch materiaal voor micro-organismen, lucht en water. Bij dit laatste speelt de hoeveelheid organisch materiaal, maar ook de stabiliteit van bodemaggregaten en aanwezigheid van kleine poriën een rol. Ook de kwaliteit en locatie van het organisch materiaal beïnvloeden de afbraaksnelheid.
Link: A.3.1.1
[4]
De beschikbaarheid van minerale stikstof (N) geeft aan in welke mate de stikstof aanwezig in de bodem effectief op te nemen is door het gewas.
Ze is grotendeels afhankelijk van de snelheid waarmee organische materie afgebroken wordt. Die afbraak of mineralisatie is afhankelijk van de samenstelling en stabiliteit van het materiaal, en gaat bv. langzamer verlopen wanneer de bodemtemperatuur lager is, organisch materiaal afgeschermd wordt door stabiele bodemaggregaten, of er veel koolstof is in verhouding tot stikstof. In dat laatste geval is de N in de bodem namelijk nodig voor de ontwikkeling van micro-organismen die de (relatief grotere proportie) organische koolstof moeten afbreken. Men spreekt dan van "biologische N-vastlegging" of "N-immobilisatie".

Link: A.2.1.5
[5]
Een teveel aan nitraat betekent dat niet alles opgenomen wordt door het gewas, en houdt daardoor een risico van uitspoeling in. Dit betekent dat het nitraat samen met het percolerende water in het grond- en oppervlaktewater terecht kan komen, wat een ernstige verontreiniging kan veroorzaken. Anderzijds kunnen nitraatverliezen ook optreden door oppervlakkige afspoeling, tijdens erosiefenomenen.
Link: A.3.2.2
[6]
De hier voorgestelde bewerkingstypes verwijzen naar de hoofdbewerking, maar maken elk deel uit van een ruimer bewerkingssysteem waarbinnen doorgaans ook zaaibedbereiding en zaaien/poten plaatsvinden.
Op de impact van zaaibedbereidingsmachines en zaaimachines wordt in deze tabel niet verder ingegaan, maar wordt verwezen naar C.1.9.4 in het geschreven rapport.
Link: C.1
[7]
Iedere vorm van bewerking leidt in meer of mindere mate tot een vernietiging van bodemaggregaten en zodoende tot een blootstelling van organische stof aan afbraak door mineralisatie. Anderzijds wordt met een bodembewerking vaak organisch materiaal in de bodem gebracht. De preciese impact is echter erg afhankelijk van de bewerkingsintensiteit, -diepte en mengingsgraad, en zodoende van de verticale verdeling van organisch materiaal in de bouwvoor.
Link: C.1.2.1
[8]
NKG = niet-kerende grondbewerking, gedefinieerd als elk systeem waarbij het intensief keren of mengen van de grond wordt uitgesloten. In de praktijk komt dit min of meer overeen met ploegloos telen; in de Zuid-Limburgse (NL) erosieverordening wordt ook ploegen tot 12 cm diep als NKG beschouwd.
Bij bewerking tot ploegdiepte gebeurt dit bv. met een decompactor, tandcultivator of woeler.
Link: C.1.1 en C.1.9.4
[9]
Verwacht wordt dat het organisch koolstofgehalte onder niet-kerende grondbewerking (NKG) hoger zal zijn in de toplaag. Organisch materiaal (bv. onder de vorm van gewasresidu, groenbedekkers of bemesting) wordt bij NKG namelijk minder intensief ingewerkt, daar waar bij standaard ploegen de bouwvoor intensiever gemengd wordt en organisch materiaal aldus dieper en homogener ondergewerkt wordt.
Niet alleen de verdeling over de diepte, maar ook de mate van afbraak is verschillend bij NKG ten opzichte van ploegen. Uitgangspunt hier is dat een minder intensieve vorm van bewerking in mindere mate leidt tot een vernietiging van bodemaggregaten. De vorming en het behoud van macroaggregaten, de toegenomen activiteit van het bodemleven, en het stijgend aandeel kleine poriën onder NKG, spelen allen een rol in de opbouw en fysieke afscherming van bodem organische stof. Op die manier is er meer ruimte en tijd voor de omvorming tot stabiele organische stof.
De stijging van het organisch koolstofgehalte in de toplaag komt sterkst tot uiting in de snel afbreekbare fractie van de organische koolstof.
Link: C.1.2.1
[10]
Verwacht wordt dat het organisch koolstofgehalte onder niet-kerende grondbewerking (NKG) lager zal zijn in de diepere lagen. Organisch materiaal (bv. onder de vorm van gewasresidu, groenbedekkers of bemesting) wordt bij NKG namelijk minder intensief ingewerkt, daar waar bij standaard ploegen de bouwvoor intensiever gekeerd wordt en organisch materiaal aldus dieper en homogener ondergewerkt wordt.
Link: C.1.2.1
[11]
Hoewel verschillende studies tot contrasterende resultaten leiden, wordt vaak een lagere pH gemeten in de toplaag (0-5 cm) onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai. Hiervoor worden uiteenlopende verklaringen gegeven, waaronder het verzurend effect van de meer oppervlakkig aangebrachte stikstof- en fosforbemesting en daardoor sterk uitgesproken nitraatvorming in de toplaag. Een eenduidige interpretatie is echter moeilijk.
Link: C.1.2.2
[12]
De dynamiek van koolstof- en stikstofmineralisatie is bijzonder complex, en wordt mede bepaald door een brede waaier van bodemeigenschappen en -processen. Denk daarbij aan de bodemtemperatuur, het vochtgehalte en de toegankelijkheid tot organisch materiaal voor micro-organismen, lucht en water. Ook de kwaliteit en locatie van het organisch materiaal beïnvloeden de afbraaksnelheid.
In verschillende studies worden wat betreft het effect van bodembewerking erg contrasterende resultaten voorgesteld. Belangrijk voor een goede interpretatie is ondermeer het maken van een onderscheid tussen de
vlotheid waarmee materiaal mineraliseert (ondermeer afhankelijk van bodemklimaat, bodemstructuur en toegang tot het uitgangsmateriaal) en de absolute hoeveelheid mineralisatie (grotendeels bepaald door de hoeveelheid en kwaliteit van het organisch uitgangsmateriaal).
Daarnaast dient men te beseffen dat metingen onder gecontroleerde omstandigheden niet steeds een goed beeld geven over de veldomstandigheden.
Aangenomen wordt dat de
mineralisatie vaak moeizamer verloopt onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai, ondermeer door de gemiddeld lagere bodemtemperatuur en beperkte toegankelijkheid tot organisch materiaal. Toch wordt voor onze contreien onder NKG doorgaans een grotere totale hoeveelheid mineralisatie waargenomen in de toplaag (tot 5 à 10 cm diep). De grotere hoeveelheden organisch materiaal in de toplaag, en de geleidelijke opbouw van grotere percentages organische koolstof en stikstof, zou die sterkere mineralisatie voor een groot deel verklaren.

Link: C.1.5.1
[13]
De dynamiek van koolstof- en stikstofmineralisatie is bijzonder complex, en wordt mede bepaald door een brede waaier van bodemeigenschappen en -processen. Denk daarbij aan de bodemtemperatuur, het vochtgehalte en de toegankelijkheid tot organisch materiaal voor micro-organismen, lucht en water. Ook de kwaliteit en locatie van het organisch materiaal beïnvloeden de afbraaksnelheid.
In verschillende studies worden wat betreft het effect van bodembewerking erg contrasterende resultaten voorgesteld. Belangrijk voor een goede interpretatie is ondermeer het maken van een onderscheid tussen de
vlotheid waarmee materiaal mineraliseert (ondermeer afhankelijk van bodemklimaat, bodemstructuur en toegang tot het uitgangsmateriaal) en de absolute hoeveelheid mineralisatie (grotendeels bepaald door de hoeveelheid en kwaliteit van het organisch uitgangsmateriaal).
Daarnaast dient men te beseffen dat metingen onder gecontroleerde omstandigheden niet steeds een goed beeld geven over de veldomstandigheden.
Voor onze contreien wordt
onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai doorgaans een afname van de mineralisatiesnelheid waargenomen in de ondergrond (10-20 cm). Vermoedelijk speelt de fysieke afscherming van organische stof door de ontwikkeling van stabielere bodemaggregaten en het gereduceerde aandeel microporiën hier een grote rol.

Link: C.1.5.1
[14]
De beschikbaarheid van minerale stikstof (N) is grotendeels afhankelijk van de snelheid waarmee organische materie afgebroken wordt. Die afbraak of mineralisatie is afhankelijk van de samenstelling en stabiliteit van het materiaal, maar ook van de bodemcondities.
Hoewel het moeilijk is om hier algemene uitspraken over te doen, werken op die manier bepaalde effecten van niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai "vertragend": denk bv. aan de vaak lagere bodemtemperatuur, of de afscherming van organisch materiaal door stabiele bodemaggregaten. Bovendien ontstaat onder NKG of directzaai in de toplaag op korte termijn vaak een hogere koolstofhoeveelheid in verhouding tot stikstof (hogere C/N verhouding), en neemt de activiteit van micro-organismen toe. In dergelijk geval is de N in de bodem nodig voor de ontwikkeling van die micro-organismen die de (relatief grotere proportie) organische koolstof moeten afbreken, en is de N dus niet meer beschikbaar voor het gewas. Men spreekt dan van "biologische N-vastlegging" of "N-immobilisatie".
Dit alles samen resulteert
op korte termijn vaak in een verlaagde stikstofbeschikbaarheid en eventueel grotere N-bemestingsbehoefte.
Toch is dit effect is doorgaans slechts van tijdelijke aard.

Link: C.1.2.3

[15]
Ondanks de vaak verlaagde stikstofbeschikbaarheid (en eventueel grotere stikstofbemestingsbehoefte) op korte termijn, kan op lange termijn onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai net een toename in beschikbare stikstof (N) ontstaan. Een belangrijke reden hiervoor is het verminderd risico op N-verliezen door uitspoeling of erosie, als gevolg van de verbeterde bodemstructuur en stabiliteit. Verder wordt in de toplaag gaandeweg een grotere pool aan eenvoudig mineraliseerbare organische stikstof opgebouwd, dankzij de toenemende hoeveelheid organisch materiaal in die toplaag.
Het kan echter tot 20 jaar duren vooraleer daadwerkelijk minder N (en P) toediening nodig is.

Link: C.1.2.3
[16]
Nitraatverliezen kunnen optreden door run-off/erosie of door uitspoeling. Aangezien het risico op erosie sterk afneemt onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai, nemen ook de nitraatverliezen via die weg af.

Het risico op uitspoeling van nitraten onder een bepaald type bewerking hangt sterk samen met de snelheid van stikstofmineralisatie en de efficiëntie van stikstofgebruik.
In het merendeel van de gevallen wordt een
verminderde nitraatuitspoeling waargenomen onder NKG en directzaai.  De vaak tragere afbraak van organisch materiaal nabij het oppervlak, en het efficiënter stikstofgebruik (ondermeer door de toename in schimmel/bacterie verhouding) spelen hier vermoedelijk een belangrijke rol.
Daarnaast speelt ook het tijdstip van mineralisatie een belangrijke rol: het risico op nitraatuitspoeling is grootst tijdens de winter, zeker wanneer er geen gewas of groenbedekker op het veld staat om stikstof op te nemen. Net dan blijkt de mineralisatiesnelheid onder NKG of directzaai lager te zijn, wat opnieuw pleit voor een lager nitraatverlies.
Ondanks dit doorgaans positieve effect, dient men zich er ook bewust van te zijn dat de ontwikkeling van meer continue verticale poriën (dankzij het actiever bodemleven) onder NKG of directzaai drainage en zodoende uitspoeling in de hand kunnen werken.

Merk tenslotte op dat een groot deel van de bovenstaande redenering op veronderstellingen gebaseerd is. In vele studies wordt geen of nauwelijks effect van bewerkingstype op nitraatuitspoeling waargenomen.

Link: C.1.5.4
[17]
NKG = niet-kerende grondbewerking, gedefinieerd als elk systeem waarbij het intensief keren of mengen van de grond wordt uitgesloten. In de praktijk komt dit min of meer overeen met ploegloos telen; in de Zuid-Limburgse (NL) erosieverordening wordt ook ploegen tot 12 cm diep als NKG beschouwd.
Ondiepe NKG (te vergelijken met een zaaibedbereiding) gebeurt bv. met een schijveneg  of rotorkopeg.
Link: C.1.1 en C.1.9.4
[18]
Directe inzaai of directzaai is de methode waarbij het hoofdgewas wordt ingezaaid in de gewasresten van de vorige teelt of van een doodgevroren of doodgespoten groenbedekker, zonder dat de gewasresten worden ondergewerkt. De gewasresten blijven hierbij doorgaans gedurende de opkomst van het nieuwe hoofdgewas ongestoord boven op de grond liggen.
Link: C.1.1
[19]
Verwacht wordt dat het organisch koolstofgehalte onder directzaai hoger zal zijn in de toplaag. Organisch materiaal (bv. onder de vorm van gewasresidu, groenbedekkers of bemesting) wordt bij directzaai namelijk niet ingewerkt, daar waar bij standaard ploegen de bouwvoor intensief gekeerd wordt en organisch materiaal aldus diep en homogeen ondergewerkt wordt.
Niet alleen de verdeling over de diepte, maar ook de mate van afbraak is verschillend ten opzichte van ploegen. Uitgangspunt hier is dat minder bewerking leidt tot minder vernietiging van bodemaggregaten. De vorming en het behoud van macroaggregaten, de toegenomen activiteit van het bodemleven, en het stijgend aandeel kleine poriën onder directzaai, spelen allen een rol in de opbouw en fysieke afscherming van bodem organische stof. Op die manier is er meer ruimte en tijd voor de omvorming tot stabiele organische stof.
Deze stijging komt sterkst tot uiting in de snel afbreekbare fractie van de organische koolstof.
Link: C.1.2.1
[20]
Verwacht wordt dat het organisch koolstofgehalte onder directzaai lager zal zijn in de ondergrond. Organisch materiaal (bv. onder de vorm van gewasresidu, groenbedekkers of bemesting) wordt bij directzaai namelijk niet ingewerkt, daar waar bij standaard ploegen de bouwvoor intensiever gekeerd wordt en organisch materiaal aldus diep en homogeen ondergewerkt wordt.
Link: C.1.2.1
[21]
Met "mulching" wordt verwezen naar het bedekken van of licht inwerken in de bodem van organisch materiaal afkomstig van gewasresten, stro of groenbedekkers.
Bodembewerking is in de praktijk doorgaans bepalend voor het residubeheer, en de effecten van beiden zijn dan ook moeilijk strikt van elkaar te onderscheiden. Met deze maatregel willen we expliciet het effect aangeven van mulching.
Link: C.1.1
[22]
Het behoud van organisch materiaal bovenop of in de toplaag van de bodem betekent een rechtstreekse aanrijking van de bodem, en zodoende een grote kans tot geleidelijke opbouw van organische stof. De mate van opbouw hangt evenwel sterk af van de hoeveelheid effectieve organische stof, zijnde organische stof die na een jaar nog in de bodem aanwezig is. Dit hangt samen met de kwaliteit van het uitgangsmateriaal. Zie ook effecten van teeltrotatie en groenbedekkers op het organische koolstofgehalte.
Link: C.1.2.1
[23]
Het behoud van organisch materiaal bovenop of in de toplaag van de bodem betekent een rechtstreekse aanrijking van de bodem, en zodoende een grote kans tot geleidelijke opbouw van organische stof. De mate van opbouw hangt wel sterk af van de hoeveelheid effectieve organische stof, zijnde organische stof die na een jaar nog in de bodem aanwezig is. Dit hangt samen met de kwaliteit van het uitgangsmateriaal. Hoewel die aanrijking met name plaatsvindt in de toplaag, kan op termijn ook een geleidelijke aanrijking in de ondergrond verwacht worden.
Link: C.1.2.1
[24]
De pH kan op verschillende manieren beïnvloed worden door mulching, afhankelijk van de oorsprong van het organisch materiaal, en de manier waarop het kan afbreken. Bij afbraak onder zuurstofloze omstandigheden, vindt vaak een verzurend effect plaats.
[25]
Mulching leidt doorgaans tot een grotere totale mineralisatiehoeveelheid in de toplaag. De grotere hoeveelheden organisch materiaal, en de geleidelijke opbouw van grotere percentages organische koolstof en stikstof in die toplaag, zou die sterkere mineralisatie voor een groot deel verklaren.
Merk echter op dat de dynamiek van koolstof- en stikstofmineralisatie bijzonder complex is, en mede bepaald wordt door een brede waaier van bodemeigenschappen en -processen. Wat mulching betreft ,zal de
kwaliteit van het gewasresidu een belangrijke rol spelen in de uiteindelijke hoeveelheid en snelheid van mineralisatie.

Link: C.1.5.1
[26]
Of de aanvoer of het behoud van organisch materiaal aan de toplaag ook de N-beschikbaarheid voor de volgteelt zal verhogen, hangt af van de balans tussen een hele reeks van interagerende aspecten. Enerzijds wordt  wordt in de toplaag een grotere pool aan mineraliseerbare organische stikstof opgebouwd, anderzijds treden verliezen op. Zo gaat een deel van de stikstof verloren via de lucht door ammoniakvervluchtiging (tot 40%) en denitrificatie (tot 50%), of via het bodemwater door nitraatuitspoeling (10-30%). Gemiddeld genomen gaat 15 tot 20% van de N uit gewasresten naar bodemorganische stof. Die input kan de N-beschikbaarheid voor het volggewas verhogen.
Echter, niet enkel de hoeveelheid maar ook de kwaliteit van het organisch materiaal is van belang: bij stro van graangewassen bv. kan de hoge koolstof/stikstof (C/N-)verhouding een tijdelijke stikstofvastlegging teweegbrengen. Dit komt omdat het bodemleven de aanwezige stikstof uit de bodem nodig heeft om de in verhouding grotere hoeveelheid organische koolstof in het organisch materiaal af te breken. Men sprekt van stikstofimmobilisatie.

Link: C.1.2.3
[27]
Nitraatverliezen kunnen optreden door run-off/erosie of door uitspoeling. Mulching kan beide processen beïnvloeden, maar met een verschillende effect:
Aangezien het behoud van gewasresten aan het bodemoppervlak leidt tot een sterke afname van erosie, nemen ook de nitraatverliezen via die weg af.
Anderzijds laten bepaalde gewasresten (met name van bv. stikstofrijke groenten) vrij veel stikstof achter op het veld, die na de oogst snel kan mineraliseren en verloren kan gaan door uitspoeling. Dit effect is sterker bij afwezigheid van groenbedekkers.

Link: C.1.5.4
[28]
Gewaskeuze en gewasopvolging binnen een rotatie worden vertaald in een teeltrotatie.
Link: C.2
[29]
Hoewel de impact van bodembewerking op het behoud of de verhoging van het organisch koolstof (OC-)gehalte doorgaans groter is, spelen ook gewaskeuze en rotatie hier een niet te onderschatten rol.
De effecten van de teeltrotatie op het organische koolstofgehalte worden voornamelijk bepaald door de
input van organisch materiaal onder de vorm van boven- en ondergrondse oogstresten. De samenstelling van de rotatie en de (gewasafhankelijke) kwantiteit van de oogstresten bepalen daarbij in grote mate het eindresultaat. Sommige gewassen laten veel en andere weinig organisch materiaal na onder de vorm van oogst- en rooiresten. Hoe het organische stofgehalte in de bodem beïnvloed wordt, hangt echter niet enkel van de hoeveelheid, maar ook van de kwaliteit (afbraaksnelheid) af. Zo zijn er groentegewassen die veel oogstresten nalaten (bv. bloemkool, broccoli, spruitkool), maar een lage koolstof/stikstofverhouding hebben, hetgeen betekent dat deze materialen snel afbreken en dus weinig bijdragen tot effectieve koolstofopslag.
Bepaalde studies toonden aan dat gewasrotatie vooral een grote
impact heeft op de kwaliteit van de bodemorganischestof.

Link: C.2.2.1
[30]
De effecten van de teeltrotatie op mineralisatie worden voornamelijk bepaald door de aanvoer van organisch materiaal onder de vorm van eventuele oogst-  of rooiresten. Na de oogst van het gewas zullen deze boven- en ondergrondse gewasresten in of op de bodem onderworpen worden aan afbraak. De kwaliteit, hoeveelheid en locatie van die oogstresten spelen een belangrijke rol in de uiteindelijke hoeveelheid en snelheid van mineralisatie. Sommige gewassen laten daarbij veel en andere weinig organisch materiaal na. Ook de kwaliteit is erg variabel. Wat die laatste betreft, speelt met name de verhouding tussen de hoeveelheid koolstof en stikstof (C/N verhouding) een belangrijke rol: hoe lager de C/N verhouding hoe sneller de afbraak.
Verder wordt de complexe dynamiek van koolstof- en stikstofmineralisatie mede bepaald door weersomstandigheden en een brede waaier van bodemeigenschappen en -processen.
Merk op: daar waar bij bewerking vooral gesproken wordt over mineralisatie van bodem organische stof, wordt hier bij teeltrotatie voornamelijk over mineralisatie van gewasresten gesproken.

Link: C.2.2.1
[31]
De effecten van de teeltkeuze op N-beschikbaarheid voor het volggewas worden voornamelijk bepaald door de voorafgaande stikstofopname van de teelt en de eventuele aanvoer van organische stikstof onder de vorm van boven- en ondergrondse oogst-  of rooiresten.
Tijdens de ontwikkeling van een gewas wordt een zekere hoeveelheid stikstof opgenomen. Die stikstof kan afkomstig zijn van een recent toegediende meststof, maar ook de bodemvoorraad wordt hiervoor aangesproken. Het resultaat is globaal genomen een (tijdelijke) daling van het stikstofgehalte in de bodem.
De mate waarin stikstof opgenomen wordt, varieert van gewas tot gewas en hangt af van een aantal factoren, waaronder de stikstofbehoefte van het gewas, de  verblijftijd op het veld, de bewortelingsdiepte of de verdeling/verspreiding van de wortels.

Link: C.2.2.1
[32]
De effecten van de teeltkeuze en -rotatie op eventuele nitraatverliezen na de oogst worden voornamelijk bepaald door de hoeveelheid minerale of mineraliseerbare stikstof die op het veld en in de bodem aanwezig blijft. Dit wordt beïnvloed door ondermeer de stikstofopname van het gewas, de uitgevoerde bemesting en de (snelheid van) stikstofnalevering door mineralisatie van oogst-  of rooiresten.
Ook de periode tijdens dewelke een teelt plaatsvindt is van belang. Denk daarbij aan eventuele bedekking tijdens de winter en de mogelijkheid om groenbedekkers te telen.

Link: C.2.2.1
[33]
De toenemende specialisatie in de landbouwsector in onze contreien heeft geleid tot enge rotaties. Zo hebben de melkveebedrijven vaak nog maar twee gewassen, zijnde grasland en maïs. Het merendeel van de maïs wordt onrijp geoogst en volledig verhakseld (grofgemalen). Het wordt als snijmaïs of kuilmaïs voornamelijk aan rundvee gevoederd (voedermaïs).
Link: C.2.2.1
[34]
Door de oogst van de volledige plant, voegt snijmaïs weinig organisch materiaal toe aan de bodem, met doorgaans een geleidelijke daling in het organische stofgehalte tot gevolg. Link: C.2.2.1
[35]
De mineralisatie na de oogst van snijmaïs zal vooral afhangen van het organisch materiaal reeds aanwezig in de bodem, en de bodem- en weersomstandigheden. Snijmaïs zelf brengt weinig tot geen organisch materiaal aan. Link: C.2.2.1
[36]
De effecten van de teeltkeuze op N-beschikbaarheid voor het volggewas worden voornamelijk bepaald door de voorafgaande stikstofopname van de teelt en de eventuele aanvoer van organische stikstof onder de vorm van oogst-  of rooiresten.
Snijmaïs neemt vrij veel stikstof op tijdens de ontwikkeling, maar laat weinig tot geen oogstresten na. Op termijn daalt onder een monocultuur snijmaïs dan ook het organische stofgehalte, waardoor de stifstofbeschikbaarheid van de bodem zal dalen.
Link: C.2.2.1
[37]
Snijmaïs heeft een hoge nutriëntenbehoefte gedurende een relatief korte periode, en wordt vaak intensief bemest. De stikstofopname neemt echter heel sterk af vanaf midden juli, vóór afrijping. Daarenboven vindt de oogst laat in het seizoen plaats, waardoor het inzaaien van een groenbedekker als vanggewas bemoeilijkt wordt. Dit alles verhoogt het risico op nitraatuitspoeling tijdens de winter.
Link: C.2.2.1
[38]
Onder een gevarieerde teeltrotatie wordt hier begrepen het gevarieerd afwisselen van gewassen met een verschillende groeikarakteristiek (bv ondiep en diep wortelend) en een verschillend zaai- en oogsttijdstip. De rijkdom of variatie van een teeltrotatie neemt bv. ook toe bij het achterwege laten van braak, het uitbreiden van een rotatie met meer gewassen, het telen van groenbedekkers, of het omschakelen van een monocultuur naar rotatie.
Link: C.2.1 en C.2.2
[39]
De effecten van de teeltrotatie op het organische stofgehalte worden voornamelijk bepaald door de input van organisch materiaal onder de vorm van boven- en ondergrondse oogstresten. De samenstelling van de rotatie en de (gewasafhankelijke) kwantiteit van de oogstresten bepalen daarbij in grote mate het eindresultaat. Sommige gewassen laten veel en andere weinig organisch materiaal na onder de vorm van oogst- en rooiresten. Hoe het organische stofgehalte in de bodem beïnvloed wordt, hangt echter niet enkel van de hoeveelheid, maar ook van de kwaliteit (afbraaksnelheid) af. Zo zijn er groentegewassen die veel oogstresten nalaten (bv. bloemkool, broccoli, spruitkool), maar een lage koolstof/stikstofverhouding hebben, hetgeen betekent dat deze materialen snel afbreken en dus weinig bijdragen tot effectieve koolstofopslag.

Hoewel moeilijk te veralgemenen verloopt de koolstofopslag doorgaans
efficiënter onder een gevarieerde rotatie dan onder monocultuur. Een gevarieerde teeltrotatie met permanente bodembedekking voorkomt daarenboven verliezen van organische stof door erosie.

Link: C.2.2.1
[40]
Over het effect van een gevarieerde teeltrotatie op de mineralisatie vallen weinig algemene uitspraken te doen, aangezien de gewassamenstelling van de rotatie en de kwantiteit en de kwaliteit van de oogstresten het eindresultaat zullen bepalen.
Doorgaans omvat een gevarieerde rotatie meerdere gewassen met veel gewasresten en daardoor toevoeging van organisch materiaal. Ook het inbouwen van tijdelijk grasland en/of groenbedekkers in de rotatie kan een stimulans betekenen voor de mineralisatie.
Link: C.2.2.1
[41]
De effecten van de teeltkeuze op N-beschikbaarheid voor het volggewas worden voornamelijk bepaald door de voorafgaande stikstofopname van de teelt en de eventuele aanvoer van organische stikstof onder de vorm van oogst-  of rooiresten.
In een ideaal
gevarieerde teeltrotatie worden ondiep en diep wortelende gewassen afgewisseld, worden gewassen met veel oogstresten en gewassen met weinig oogstresten afgewisseld, en schenkt men aandacht aan vlinderbloemigen, groenbedekkers en zodevormende gewassen. Dit zorgt voor een goede bodemstructuur en voldoende aanvoer van organisch materiaal, waardoor mineralisatie kan plaatsvinden en stikstof ter beschikking komt van de plant. Een goed uitgekiende teeltrotatie houdt bovendien rekening met de stikstofnalevering en de stikstofbehoefte van elk gewas, waardoor de vrijgekomen stikstof optimaal benut kan worden.
Link: C.2.2.1
[42]
Een gevarieerde teelltrotatie streeft naar een bewuste gewasopvolging en het correct gebruik van groenbedekkers als vanggewassen, waardoor de aanwezige nutriënten optimaal benut worden en eventuele verliezen beperkt blijven.
Link: C.2.2.1
[43]
Aardappelen en (suiker)bieten vormen een belangrijk aandeel van de akkerbouwgewassen in Nederland en Vlaanderen. Deze rooigewassen worden doorgaans geassocieerd met een relatief intensieve bodemverstoring.
Zie ook C.1.7

[44]
Aardappelen laten net als snijmaïs weinig organisch materiaal na onder de vorm van oogst- en rooiresten. Bovendien gaat de oogst van rooigewassen zoals aardappel en biet gepaard met een sterke verstoring van de bodem, wat op korte termijn een sterke afbraak van organische stof met zich meebrengt. Link: C.2.2.1
[45]
Heel regelmatig wordt het bietenloof op het veld gelaten. In dat geval dient rekening gehouden te worden met een vrij snelle mineralisatie van dit organisch materiaal.
Link: C.2.2.1
[46]
De effecten van de teeltkeuze op N-beschikbaarheid voor het volggewas worden voornamelijk bepaald door de voorafgaande stikstofopname van de teelt en de eventuele aanvoer van organische stikstof onder de vorm van oogst-  of rooiresten.
Aardappelen nemen tijdens hun ontwikkeling relatief weinig bodemstikstof op, maar laten ook weinig tot geen oogstresten na, waardoor er weinig stikstof ten goede komt van het volggewas. Bij bieten kan men wel een sterke stikstofnalevering verwachten wanneer het bietenloof op het veld achterblijft. Merk echter op dat na de bietenteelt de stikstofvoorraad in het bodemprofiel sterk uitgeput is: door hun diepe beworteling en hun lange vegetatieve groeiperiode nemen ze veel meer minerale stikstof op dan de meeste andere teelten.
Link: C.2.2.1
[47]
De beperkte beworteling van aardappelen maakt dat de aanwezige stikstof in de bodem niet optimaal benut wordt. Het relatief vroege oogsttijdstip laat echter nog de inzaai van een groenbedekker toe waardoor de stikstofuitspoeling beperkt kan worden.
In tegenstelling tot maïs, worden
bieten gekenmerkt door een gelijkmatige stikstofopname over het hele teeltseizoen. Daardoor kunnen bieten optimaal gebruik maken van de stikstof die geleidelijk vrijkomt uit de bodemreserve (via nawerking, voorvrucht, bemesting). Op die manier wordt, althans tijdens de teelt, de nitraatuitspoeling beperkt. Anderzijds moet rekening gehouden worden met een vrij snelle stikstofvrijstelling uit het achtergebleven bietenloof na de oogst. Bovendien verlaten bieten het veld laat op het seizoen (vaak tot november) wat de inzaai van een groenbedekker onmogelijk maakt. Zodoende is het risico op nitraatuitspoeling tijdens de winter vrij reeël.
Link: C.2.2.1
[48]
Graangewassen (met name tarwe en gerst) vormen een belangrijk aandeel van de akkerbouwgewassen in Nederland en Vlaanderen.
Ondanks de op dit moment relatief beperkte financiële opbrengst geassocieerd met deze graangewassen, zijn ze vanuit bodemkwalitatief standpunt doorgaans erg waardevol.

[49]
Graangewassen leveren veel organisch materiaal onder de vorm van oogst- en rooiresten. Ze hebben met andere woorden een lage oogstindex (verhouding tussen de hoeveelheid droge stof in de oogstbare producten en de totale hoeveelheid droge stof in de hele plant).
Daarnaast worden ze gekenmerkt door een hoge koolstof/stikstof verhouding, wat wijst op een langzame afbraak van het organisch materiaal, en dus een relatief lange verblijftijd in de bodem.
Alles samen kan dit resulteren in een s
tijging van het organische stofgehalte, ten minste indien de oogstresten niet afgevoerd worden.
Link: C.2.2.1
[50]
Stro van graangewassen wordt gekenmerkt door een hoge koolstof/stikstof (C/N)-verhouding. Het achterlaten en onderwerken van dit materiaal in de bodem kan hierdoor zorgen voor een tijdelijke stikstofvastlegging. Dit komt omdat het bodemleven de aanwezige stikstof uit de bodem nodig heeft om de in verhouding grotere hoeveelheid organische koolstof in het stro af te breken. Dit heet stikstofimmobilisatie. Na verloop van tijd komt deze geïmmobiliseerde stikstof terug vrij en dus ter beschikking van de plant.

Link: C.2.2.1
[51]
De effecten van de teeltkeuze op N-beschikbaarheid voor het volggewas worden voornamelijk bepaald door de voorafgaande stikstofopname van de teelt en de eventuele aanvoer van organische stikstof onder de vorm van oogst-  of rooiresten.
Ondanks het feit dat bij de teelt van
graangewassen vaak vrij veel gewasresten op het veld blijven liggen, bezitten die resten een hoge koolstof/stikstof (C/N)-verhouding. Het achterlaten en het inwerken van dit materiaal in de bodem kan hierdoor zorgen voor een tijdelijke stikstofvastlegging. Dit komt omdat het bodemleven de aanwezige stikstof uit de bodem nodig heeft om de in verhouding grotere hoeveelheid organische koolstof in het stro af te breken. Dit heet stikstofimmobilisatie. Na verloop van tijd komt deze geïmmobiliseerde stikstof terug vrij en dus ter beschikking van de plant.

Link: C.2.2.1
[52]
Met uitzondering van tarwe, hebben graangewassen geen extreme nutriëntenbehoeften. Door hun intensieve beworteling nemen ze heel wat stikstof uit het bodemprofiel op. Daarenboven gebeurt de oogst nog tijdens de zomermaanden, wat ruime mogelijkheden biedt voor het inzaaien van een groenbedekker. Dit alles resulteert in een relatief beperkt risico op nitraatuitspoeling.
Link: C.2.2.1
[53]
Ook in een akkerbouwsysteem kan de tijdelijke inbouw van grasland in de teeltrotatie een waardevolle maatregel zijn. Met name de permanente bedekking, beworteling en aanvoer van organisch materiaal zijn vanuit bodemkwalitatief standpunt doorgaans erg interessant.
Link: C.2.5
[54]
De constante bedekking en beperkte verstoring van de bodem onder grasland zorgen samen met een constante input aan koolstof (onder de vorm van uitscheiddingsstoffen van wortels, afgestorven wortels en bladresten)  voor een graduele opbouw van organische koolstof onder grasland. Dit effect is met name sterk voor permanent grasland. Bij tijdelijk grasland is het effect echter van relatief korte duur: 1 à 2 jaar na scheuren/onderploegen is een groot deel van de organische stof opnieuw verloren door mineralisatie.
Link: C.2.2.1
[55]
Bij het scheuren/onderploegen van tijdelijk grasland ontstaat een plotse, snelle stikstofmineralistatie. Het volggewas dient zorgvuldig gekozen te worden: er is nood aan een stikstofbehoeftig gewas aangezien er bij het scheuren van grasland kans is op nitraatuitspoeling.
Link: C.2.2.1
[56]
Bij het scheuren/onderploegen van (tijdelijk) grasland wordt een groot deel van de organische stof, die gedurende een aantal jaar werd opgebouwd, op relatief korte tijd afgebroken via mineralisatie. Hierbij komen aanzienlijke hoeveelheden minerale stikstof vrij, die deels ten goede kunnen komen van het volggewas.
Link: C.2.2.1
[57]
Bij het scheuren/onderwerken van tijdelijk grasland komt een aanzienlijke hoeveelheid minerale stikstof vrij. Het risico op uitspoeling neemt op dat moment sterk toe. Om deze nageleverde stikstof efficiënt te gebruiken en te behoeden voor uitspoeling, dient het scheuren in het voorjaar plaats te vinden en kiest men na grasland bij voorkeur een gewas dat veel stikstof opneemt. Een goed voorbeeld is voederbiet, waarbij een diep wortelstelsel en lang groeiseizoen zorgen voor een goede exploitatie van minerale stikstof.
Link: C.2.2.1
[58]
Een groenbedekker kan gedefinieerd worden als een gewas dat voor het in stand houden of verbeteren van de fysische, chemische en biologische bodemcondities wordt geteeld. Dit gewas levert in vele gevallen geen te verkopen of in de bedrijfsvoering te gebruiken product op.
Het algemene effect van de teelt van groenbedekkers wordt beschreven in de begeleidende tekstjes horende bij deze 1e rij "groenbedekkers". Specifieke karakteristieken en nuances voor grasachtigen, bladrijken en vlinderbloemigen, worden verder per type in kaart gebracht, indien relevant om te onderscheiden van de algemene trend. Voor soortspecifieke karakteristieken wordt verder verwezen naar
Bijlage I.
Link: C.3
[59]
Door de wortelontwikkeling en nadien het onderwerken van groenbedekkers, wordt organisch materiaal ingebracht in de bodem. Hoe omvangrijk en belangrijk die aanrijking is, hangt echter af van de beschouwde soort en omstandigheden, en wordt grotendeels bepaald door de biomassa die ontwikkeld wordt.
De aanrijking door groenbedekkers is doorgaans relatief laag ten aanzien van de bijdrage die door het inwerken van stro plaatsvindt.
Belangrijk en bepalend voor de verdeling tussen toplaag en ondergrond, is ook de manier waarop groenbedekkers in de bodem ingewerkt worden. Bij ploegen bestaat het risico dat alle organisch materiaal geconcentreerd wordt op één plaats, en zodoende een zure en slecht verterende anaerobe laag gevormd wordt in de ondergrond.
Link: C.3.2.1
[60]
Na vernietiging van de groenbedekker in het voorjaar, zal het ingewerkte organisch materiaal vrijgesteld worden aan afbraak. De extra aanvoer van organisch materiaal afkomstig van de groenbedekkers, zorgt dus voor een beduidende toename van de voorjaarsmineralisatie (in vergelijking met een situatie zonder groenbedekkers). De snelheid van deze afbraak hangt echter sterk af van het type groenbedekker, maar ook van de bodem en weersomstandigheden. Dit alles heeft een sterke invloed op ondermeer mogelijke nitraatuitspoeling en stikstofbeschikbaarheid voor het volggewas (zie de daarvoor voorziene cellen).
Link: C.3.3.3
[61]
De opname van stikstof door een groenbedekker tijdens de ontwikkeling varieert doorgaans tussen 20 en 100 kg stikstof (N) per ha, met extremen tussen 10 en 300 kg N/ha. Dit is afhankelijk van ondermeer de beschouwde soort groenbedekker, de bodem- en weersomstandigheden, de bodembewerking, het zaaitijdstip en de biomassa ontwikkeling.
Doorgaans zal de opgenomen stikstof terug vrijkomen na het vernietigen en onderwerken van de groenbedekker, waardoor het gedeeltelijk benut kan worden door het volggewas. Toch is het effect van groenbedekkers op stikstofbeschikbaarheid weinig eenduidig en doorgaans eerder beperkt. In een gemiddeld jaar is er sprake van een bescheiden winst aan stikstof in de orde van 5 tot 20 kg N/ha, met cijfers die kunnen oplopen tot 80 kg N/ha. Niet alleen de hoeveelheid, maar ook het tijdstip waarop de N-nalevering gebeurt is van groot belang. In principe kan het zelfs gebeuren dat de N uit ingewerkte groenbedekkers zo laat vrijkomt, dat ze niet ter beschikking komt van het volggewas. Dit gebeurt bv. vaak in het eerste jaar na toepassing van een groenbedekker gekenmerkt door een langzame vertering. Veel hangt af van het type groenbedekker, en het tijdstip van onderwerken: voor een optimale N-vrijggave gebeurt het inwerken liefst zo laat mogelijk, maar voor de meeste volggewassen best vóór half maart. Verder is er vaak sprake van "stratificatie": de stikstofhoeveelheid neemt dan geconcentreerd toe in de toplaag, terwijl er in de ondergrond zelfs een afname kan zijn.
Link: C.3.3.3
[62]
Door de inzaai van een groenbedekker na de oogst van het hoofdgewas, zal de vrijgestelde nitraatstikstof afkomstig van de mineralisatie gedeeltelijk opgenomen worden. Op die manier zal het nitraatgehalte in de bodem verminderen en de uitspoeling van nitraten naar het grondwater tijdens de herfst en winter dalen. Dit is één van de belangrijkste functies van de groenbedekker: geen enkele andere maatregel is zo efficiënt om uitspoeling te beperken.
De mate van opname is afhankelijk van ondermeer de beschouwde soort groenbedekker, de bodem- en weersomstandigheden, de bodembewerking, het zaaitijdstip, en de vegetatieve ontwikkeling. Voor een optimale ontwikkeling en dus maximale opname, dienen groenbedekkers minimum 2 groeimaanden te hebben, en is een vroege zaai sterk aan te raden.
Let op: na vernietigen en onderwerken van de groenbedekker in het voorjaar zullen de opgenomen nitraten terug vrijkomen. Het is belangrijk dat de volgteelt die dan (tijdig) opneemt, om vooralsnog uitspoeling te vermijden.
Link: C.3.3.3
[63]
Van deze groenbedekkers worden vaak Italiaans of Engels raaigras gebruikt, en minder frequent ook Westerwolds raaigras, rogge of haver.
Link: C.3.5.1 en Bijlage I
[64]
Door de wortelontwikkeling en nadien het onderwerken van groenbedekkers, wordt organisch materiaal ingebracht in de bodem.
De organische stofvoorziening van de bodem is bij grasachtigen aanzienlijk, ondermeer dankzij de intensieve en homogene beworteling. Bovendien is de hoeveelheid effectieve organische stof (organische stof die 1 jaar na inwerken nog aanwezig is in de bodem) voor grasachtigen hoog in vergelijking met bv. bladrijken. Het is die effectieve organische stof die uiteindelijk bijdraagt aan de opbouw van de voorraad in de bodem.
Link: C.3.2.1
[65]
De organische stofvoorziening van de bodem is bij grasachtigen aanzienlijk, ondermeer dankzij de intensieve en homogene beworteling. Bovendien is de hoeveelheid effectieve organische stof (organische stof die 1 jaar na inwerken nog aanwezig is in de bodem) voor grasachtigen hoog in vergelijking met bv. bladrijken. Het is die effectieve organische stof die uiteindelijk bijdraagt aan de opbouw van de voorraad in de bodem. De aanrijking in de ondergrond is wel steeds relatief lager dan die in de toplaag.
Link: C.3.2.1
[66]
De extra aanvoer van organisch materiaal afkomstig van de groenbedekkers, zorgt voor een beduidende toename van de voorjaarsmineralisatie. De snelheid van deze afbraak hangt echter sterk af van het type groenbedekker, en verloopt bij grasachtigen doorgaans erg langzaam.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.1
[67]
Doorgaans zal de opgenomen stikstof terug vrijkomen na het vernietigen en onderwerken van de groenbedekker, waardoor het gedeeltelijk benut kan worden door het volggewas. Toch is het effect van groenbedekkers op stikstofbeschikbaarheid weinig eenduidig en doorgaans eerder beperkt.
De stikstofopname verloopt bij
grasachtigen vaak langzaam, maar loopt verder tijdens en na de winter, aangezien grasachtigen doorgaans resistent zijn tegen vorst. Hierdoor kan de totale opname erg groot zijn wanneer de groenbedekker voldoende lang op het veld blijft staan.
Typisch voor grasachtigen is verder de vrij late stikstofvrijstelling na onderwerken, door de langzame vertering van het plantmateriaal.
Hierdoor kan de stikstofbeschikbaarheid zelf dalen, zeker in het eerste jaar van toepassing van de groenbedekker.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.1
[68]
De opname van nitraatstikstof door de groenbedekker zal het nitraatgehalte in de bodem doen dalen en zodoende de uitspoeling van nitraten naar het grondwater tijdens de herfst en winter beperken. Grasachtige groenbedekkers worden gekenmerkt door een vrij langzame stikstofopname, die echter lang kan doorlopen  tijdens en na de winter, aangezien grasachtigen doorgaans resistent zijn tegen vorst. Hierdoor kan de totale opname erg groot zijn wanneer de groenbedekker voldoende lang op het veld blijft staan.
Link: C.3.3.3
[69]
Vaak zijn dit kruisbloemigen. Regelmatig gebruikte soorten in onze contreien zijn gele mosterd, bladrammenas, facelia en bladkool.
Link: C.3.5.2 en Bijlage I
[70]
Door de wortelontwikkeling en nadien het onderwerken van groenbedekkers, wordt organisch materiaal ingebracht in de bodem. De bijdrage aan de opbouw van het organische koolstofgehalte is voor bladrijken eerder beperkt,door de beperkte (wortel)biomassa en de snelle vertering na het onderwerken.
Link: C.3.2.1 en C.3.5.2
[71]
De extra aanvoer van organisch materiaal afkomstig van de groenbedekkers, zorgt voor een beduidende toename van de voorjaarsmineralisatie. De snelheid van deze afbraak hangt echter sterk af van het type groenbedekker, en verloopt bij bladrijken doorgaans erg snel.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.2

[72]
Doorgaans zal de opgenomen stikstof terug vrijkomen na het vernietigen en onderwerken van de groenbedekker, waardoor het gedeeltelijk benut kan worden door het volggewas. Toch is het effect van groenbedekkers op stikstofbeschikbaarheid weinig eenduidig en doorgaans eerder beperkt.
Bladrijken worden gekenmerkt door een doorgaans vrij hoge stikstofopname tijdens ontwikkeling, en een snelle vertering na onderwerken. De eerder opgenomen stikstof wordt dus vroeg vrijgesteld.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.2
[73]
De opname van nitraatstikstof door de groenbedekker zal het nitraatgehalte in de bodem doen dalen en zodoende de uitspoeling van nitraten naar het grondwater tijdens de herfst en winter beperken. Bladrijken worden gekenmerkt door een snelle beginontwikkeling, uitgesproken bovengrondse groei, een diepe wortelontwikkeling, en zodoende een snelle en aanzienlijke stikstofopname.
Link: C.3.3.3
[74]
Van de vlinderbloemigen worden klaversoorten wellicht meest gebruikt. Minder gekend maar zeer interessant zijn bv. wikke en lupine. Kenmerkend voor vlinderbloemigen is hun stikstoffixerend vermogen: ze zijn in staat om N uit de lucht vast te leggen.
Link: C.3.5.2 en Bijlage I
[75]
Net als voor andere groenbedekkers het geval is, wordt door de wortelontwikkeling en nadien het onderwerken van vlinderbloemigen organisch materiaal ingebracht in de bodem.
Link: C.3.2.1
[76]
Net als voor andere groenbedekkers het geval is, wordt door de wortelontwikkeling en nadien het onderwerken van vlinderbloemigen organisch materiaal ingebracht in de bodem. De aanrijking in de ondergrond is wel doorgaans relatief lager dan die in de toplaag.
Link: C.3.2.1
[77]
De extra aanvoer van organisch materiaal afkomstig van de groenbedekkers, zorgt voor een beduidende toename van de voorjaarsmineralisatie. De snelheid van deze afbraak hangt echter sterk af van het type groenbedekker, en verloopt bij vlinderbloemigen doorgaans erg snel.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.3

[78]
Doorgaans zal de opgenomen stikstof terug vrijkomen na het vernietigen en onderwerken van de groenbedekker, waardoor het gedeeltelijk benut kan worden door het volggewas. Toch is het effect van groenbedekkers op stikstofbeschikbaarheid weinig eenduidig en doorgaans eerder beperkt.
Maar in tegenstelling tot andere groenbedekkers wordt bij
vlinderbloemigen extra stikstof gefixeerd. Dit betekent dat ze met behulp van Rhizobium-bacteriën stikstof uit de lucht kunnen vastleggen en opnemen. Bovendien kennen vlinderbloemigen een snelle vertering en dus snelle en grote vrijstelling van eerder opgenomen stikstof.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.3
[79]
De opname van nitraatstikstof door de groenbedekker zal het nitraatgehalte in de bodem doen dalen en zodoende de uitspoeling van nitraten naar het grondwater tijdens de herfst en winter beperken. De stikstofopname-efficiëntie is echter lager voor een vlinderbloemige, omdat er ook sprake is van rechtstreekse stikstoffixatie uit de lucht. Minder opname betekent een groter risico op nitraatverliezen.
Link: C.3.3.3
[80]
Onder meststoffen worden deze stoffen verstaan die voedingsstoffen leveren aan de plant of de bodem. Daarnaast kunnen deze stoffen ook een bodemverbeterende werking hebben. Een onderscheid wordt hier gemaakt tussen minerale mest, dierlijke meststoffen en compost.
Link: C.4
[81]
Minerale mest bevat geen organische stof.
Link: C.4.1
[82]
Er is discussie of minerale mest wel of niet tot een verhoging van het organische koolstofgehalte in de bodem leidt.
Enerzijds bevordert minerale bemesting de gewasgroei. Dit zorgt voor een verhoging van gewasresten die op het veld achterblijven, meer wortels en meer stoffen die door wortels worden uitgescheiden (wortelexudaten). Hierdoor draagt minerale mest bij tot de opbouw van organische stof. Of dit voldoende is om de natuurlijke afbraak van bodem organische stof te compenseren hangt af van de gewasrespons op de minerale bemesting, maar ook van andere factoren zoals gewasrotatie, bewerking en het organische stofniveau bij aanvang.
Sommigen beweren echter dat minerale bemesting de afbraak van bodem organische stof versnelt.  Om te groeien hebben micro-organismen zowel koolstof als stikstof nodig. Bij toediening van minerale stikstof aan de bodem zonder begeleidende organische koolstof (zoals bij dierlijke mest of compost) moeten micro-organismen een andere koolstofbron aanspreken om in hun energievoorziening te voorzien. Hierdoor zou de bodemorganische stof worden aangetast. Volgens sommigen zouden langdurige proefveldresultaten hierop wijzen. De interpretatie van deze resultaten wordt echter door anderen betwist.
We kunnen besluiten dat de organische stofbalans van veel factoren afhangt en dat de optelsom van alle effecten zal uitmaken of het organische koolstofgehalte van de bodem al dan niet verhoogd zal worden.

Link: kader 8
[83]
Afhankelijk van de samenstelling heeft een minerale meststof een zure, neutrale of basische werking op de bodem. Zuurwerkende meststoffen verlagen de pH. Basisch werkende meststoffen verhogen de pH. Ammoniummeststoffen vb. verlagen de pH omdat de bacteriële omzetting van ammonium in nitraat verzurend werkt.
Kalkmeststoffen zijn meststoffen die voor het grootste deel bestaan uit basisch werkende calcium- en magnesiumverbindingen. Ze verhogen de pH.

Link: 4.2.3
[84]
Bij minerale bemesting zijn de voedingstoffen al in minerale vorm aanwezig en dus direct beschikbaar voor de plant. Minerale bemesting leidt niet tot een rechtstreekse opbouw van organische stof en organische stikstof. Op termijn zal de mineralisatie van organische stof en de vrijstelling van stikstof daarom lager zijn dan bij organische bemesting.

Link: C.4.2
[85]
De voedingsstoffen in minerale mest zijn vrijwel onmiddellijk beschikbaar voor de plant. Er zijn meststoffen op de markt, de zogenaamde slow en controlled release meststoffen, waarbij de voedingststoffen meer geleidelijk ter beschikking komen (periode van enkele weken tot maanden). Hierdoor kan de benutting worden vergroot en is er minder risico op verlies.

Link: C.4.5.1
[86]
Minerale bemesting leidt niet rechtstreeks tot opbouw van organische stof en organische stikstof. Indien de toegediende minerale stikstof op korte termijn niet benut wordt door de plant is er een grote kans dat de stikstof verloren gaat via uitspoeling of vervluchtiging. Minerale bemesting draagt dus op lange termijn niet bij tot de N-beschikbaarheid.
[87]
Dierlijke meststoffen bevatten organische stof naast anorganische stoffen. Ze kunnen op basis van inhoud en vorm in een drietal groepen worden onderverdeeld: drijfmest of mengmest, vaste mest, en gier.
Link: C.4.1
[88]
Aangezien door toepassing van dierlijke mest naast voedingsstoffen ook organische koolstof aan de bodem wordt toegevoegd, heeft dierlijke mest een gunstig effect op de bodem organische stofopbouw.
Niet alle dierlijke mesttypes zijn even effectief voor de opbouw van bodem organische stof. Dit hangt af van de samenstelling (bijvoorbeeld droge stofinhoud) en de afbreekbaarheid van de meststof. Dierlijke mestsoorten die traag afbreken zullen meer bijdragen aan de organische stofopbouw van de bodem dan meststoffen die snel afbreken. Gier en drijfmestsoorten dragen het minste bij aan de organische stofopbouw van de bodem. Deze mestsoorten bevatten weinig organische koolstof en breken snel af. 
Runderdrijfmest draagt per eenheid aangebracht stikstof of fosfor meer bij tot de organische stofopbouw dan varkensdrijfmest. Stalmest is het meest gunstig voor het bodemorganische stofgehalte.

Link: C.4.2.1
[89]
Afhankelijk van het type heeft een dierlijke meststof een zure of basische werking op de bodem. Drijfmest kan verzurend werken. Stalmest werkt basisch.

Link: C.4.2.3
[90]
De snelheid waarmee dierlijke mest mineraliseert is ondermeer afhankelijk van de afbreekbaarheid van de dierlijke mest.
Stalmest zal trager mineraliseren dan drijfmest.

Link: C.4.2
[91]
Dierlijke mest bevat minerale stikstof die direct beschikbaar is voor de gewassen. Daarnaast bevat het ook een organische component. De voedingsstoffen die hierin zijn vervat moeten via het bodemleven ter beschikking komen van de plant en zijn dus niet direct beschikbaar. De snelheid van dit proces is naast de afbreekbaarheid van die organische fractie afhankelijk van factoren zoals temperatuur, vocht en de activiteit en de samenstelling van het bodemleven.
Omdat de organische fractie van drijfmest sneller afbreekt dan van stalmest zullen nutriënten sneller ter beschikking komen bij de toepassing van drijfmest dan bij stalmest.

Link: C.4.2.2
[92]
Op langere termijn zorgt dierlijke mest of compost voor opbouw van bodemorganische stof. Na verloop van tijd gaat die bodemorganische stof mineraliseren waardoor gaandeweg meer stikstof vrijkomt.

Link: C.4.2.2
[93]
Compost bestaat uit (stabiele) organische componenten (humus), minerale componenten en bodemorganismen. Het uitgangsmateriaal kan zowel van plantaardige als dierlijke oorsprong zijn. De grote variatie aan uitgangsmaterialen en composteringsomstandigheden zorgt ervoor dat de samenstelling en de eigenschappen van compost heel variabel zijn.
Link: C.4.1
[94]
Om dezelfde redenen als bij dierlijke bemesting verhoogt compost het organisch koolstofgehalte van de bodem. Omdat compost traag afbreekt, is compost effectiever voor de organische stofopbouw dan dierlijke mest. Compost is een heel variabel product. De aanbreng van effectieve organische koolstof (de koolstof die na één jaar nog aanwezig is in de bodem) verschilt tussen compostsoorten en is afhankelijk van het materiaal waaruit het is gemaakt en het composteringsproces. Groencompost is doorgaans iets beter voor de aanbreng van effectieve organische stof dan GFT-compost omdat groencompost meer houtachtige materialen bevat.

Link: C.4.2.1
[95]
Compost werkt basisch en vormt een buffer tegen verzuring.

Link: C.4.2.3
[96]
De snelheid waarmee compost mineraliseert is ondermeer afhankelijk van de afbreekbaarheid van de compost.
Compost mineraliseert over het algemeen trager dan dierlijke mestsoorten.

Link: C.4.2
[97]
Compost bevat minerale stikstof die direct beschikbaar is voor de gewassen. Daarnaast bevat het ook een organische component. De voedingsstoffen die hierin zijn vervat moeten via het bodemleven ter beschikking komen van de plant en zijn dus niet direct beschikbaar. De snelheid van dit proces is naast de afbreekbaarheid van die organische fractie afhankelijk van factoren zoals temperatuur, vocht en de activiteit en de samenstelling van het bodemleven. Omdat de organische fractie van compost traag afbreekt komt de stikstof traag ter beschikking.
Bij toepassing van compost is het afhankelijk van de samenstelling (koolstof/stikstof-verhouding) mogelijk dat de beschikbare stikstof tijdelijk lager is dan indien compost niet zou zijn toegepast. Dit komt omdat het bodemleven de aanwezige stikstof uit de bodem gebruikt om de compost af te breken. Dit heet stikstofimmobilisatie. Na verloop van tijd komt deze geïmmobiliseerde stikstof terug vrij en dus ter beschikking van de plant.

Link: C.4.2.2