Criterium   Landbouwkundige parameters
Maatregelen Bewerkbaarheid - draagkracht[1] Ziekte- en plaagdruk[2] Onkruiddruk[3] Teeltkost - arbeidsefficiëntie[4] Gewasopbrengst[5]
    Korte termijn (2) Lange termijn      
Type bewerking - gewaardeerd tov ploegen 20-30 cm diep[6]            
NKG - tot ploegdiepte (20-30 cm diep)[7] (+)[8] -[9] +[10] (-)[11] (+)[12] +-[13]
NKG - oppervlakkig (5-12 cm diep)[14] (+)[15] (+)[16] (-)[17]
Directzaai[18] +[19] -[20] +[21] (-)[22]
Mulching[23] (+)[24] --[25] +-[26] (+)[27]    
           
Teelrotatie[28] x[29] x[30] x[31]   x[32]
Monocultuur snijmaïs[33] (-)[34] -[35] -[36] +-[37] (-)[38]
Gevarieerde teeltrotatie[39] +[40] ++[41] +[42] +-[43] +[44]
Aardappelen/bieten in de teeltrotatie[45] (-)[46] +-[47] +-[48] (-)[49] +-[50]
Graangewassen in de teeltrotatie[51] +[52] +-[53] +-[54] +-[55]
(Tijdelijk) grasland in de teeltrotatie[56] +[57] +-[58] +[59] (+)[60]
    Nematoden Plaagdruk      
Groenbedekkers[61] +-[62] +-[63] -[64] +-[65] +-[66] +-[67]
Grasachtige groenbedekker[68] -[69] (+)[70] +-[71]
Bladrijke groenbedekker[72] -[73] (+)[74] +-[75]
Vlinderbloemige groenbedekker[76] -[77] (+)[78] +-[79]
           
Bemestingsregime[80]          
Toepassing minerale mest[81]   +-[82] -[83]   ++[84]
Toepassing dierlijke mest[85]   +[86] -[87]   ++[88]
Toepassing compost[89]   ++[90] -[91]   ++[92]

[1]
De geschiktheid van een bodem voor landbouwactiviteit wordt in grote mate beïnvloed door de bewerkbaarheid ervan. Draagkracht, erosiegevoeligheid, en technische uitvoerbaarheid spelen hierin een bepalende rol. De draagkracht of het draagvermogen wordt daarbij gedefinieerd als de weerstand die de bodem kan bieden aan uitgeoefende druk, en slaat dus op de mogelijkheid om op het gepaste moment de bodem te betreden, zonder grote of blijvende schade toe te brengen.
Link: A.6.1
[2]
Ziektes en plagen vormen een ernstige economische bedreiging binnen landbouwsystemen. Teelttechnische maatregelen kunnen op ziekte- en plaagdruk een grote invloed uitoefenen.
Link: A.6.3
[3]
Onkruiddruk vormt een ernstige economische bedreiging binnen landbouwsystemen. Naast rechtstreekse onkruidbestrijding, kunnen ook andere teelttechnische maatregelen  hier een grote invloed op uitoefenen. Binnen de biologische landbouw is dergelijke geïntegreerde benadering extra belangrijk.
Link: A.6.3 en C.5.2
[4]
Voor een economisch gunstig resultaat van de landbouwproductie, streeft men ondermeer naar een minimalisatie van de kosten. Aspecten die daarbij rechtstreeks gerelateerd zijn aan teelttechnische maatregelen, zijn ondermeer:
• Hoge brandstof- en arbeidsefficiëntie;
• Minimale input van meststoffen;
• Minimale input van gewasbeschermingsmiddelen.

Link: A.6.4

[5]
Voor een economisch gunstig resultaat van de landbouwproductie, streeft men naar een maximalisatie van de gewasopbrengst (biomassaproductie) met een hoge gewaskwaliteit, en een stabiele opbrengst jaar na jaar.
Link: A.6.4
[6]
De hier voorgestelde bewerkingstypes verwijzen naar de hoofdbewerking, maar maken elk deel uit van een ruimer bewerkingssysteem waarbinnen doorgaans ook zaaibedbereiding en zaaien/poten plaatsvinden.
Op de impact van zaaibedbereidingsmachines en zaaimachines wordt in deze tabel niet verder ingegaan, maar wordt verwezen naar C.1.9.4 in het geschreven rapport.
Link: C.1
[7]
NKG = niet-kerende grondbewerking, gedefinieerd als elk systeem waarbij het intensief keren of mengen van de grond wordt uitgesloten. In de praktijk komt dit min of meer overeen met ploegloos telen; in de Zuid-Limburgse (NL) erosieverordening wordt ook ploegen tot 12 cm diep als NKG beschouwd.
Bij bewerking tot ploegdiepte gebeurt dit bv. met een decompactor, tandcultivator of woeler.
Link: C.1.1 en C.1.9.4
[8]
Bewerkbaarheid wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid, en technische uitvoerbaarheid.
1.
De effecten van niet-kerende grondbewerking (NKG) op reductie van run-off en erosie zijn positief, zeker bij behoud van het gewasresidu (zie de daartoe voorziene cellen).
2.
De praktische uitvoerbaarheid is vaak echter minder vanzelfsprekend dan bij ploegen. Denk daarbij bv. aan de minder homogene bodemcondities, het groter risico op slip van de trekkerwielen onder natte omstandigheden, of het verstoppen van werktuigen door gewasresten.
3. De
impact van gereduceerde bodembewerking op de draagkracht van de bodem is doorgaans positief op langere termijn. De bodemsterkte neemt namelijk gaandeweg toe, vooral dankzij de hogere aggregaatstabiliteit, het actiever bodemleven, en de stabielere structuur en porositeit. Toch kan de draagkracht van de bodem onder NKG tijdelijk in het gedrang komen. Net als bij ploegen, is neemt de draagkracht snel of onder te natte omstandigheden, waarbij het risico op verdichting stijgt. Dit risico is grootst bij te vroeg berijden in het voorjaar en te laat in het najaar. Onder NKG droogt een bodem bovendien vaak minder snel op. Zodoende is het tijdstip waarop NKG uitgevoerd zou moeten worden vaak moeilijk te verenigen met de praktijk. Veel is afhankelijk van het bodemtype en de keuze voor een geschikt werktuig en geschikt materiaal.
Link: C.1.6.1
[9]
Op korte termijn is ploegen effectiever om de ziekte- en plaagdruk te reduceren, omdat pathogenen en plaagverwekkers zelf, maar ook van hun voedsel (organisch materiaal onder de vorm van gewasresidu, op een efficiënte manier ondergewerkt worden. Ook hun habitat wordt door een intensief kerende bodembewerking grondig verstoord. In die optiek kan op korte termijn onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai ziekte- en plaagdruk toenemen. Vooral het behoud van organisch materiaal op of vlak onder het bodemoppervlak speelt daarbij een doorslaggevende rol. Het functioneert niet alleen als voedselbron, maar creëert ook gunstige groeiomstandigheden voor een aantal pathogenen, zoals een koeler en vochtiger bodemoppervlak. Op die manier wordt voor ziektes en plagen een overbrugging tussen twee gewassen mogelijk gemaakt.
De meest voorkomende pathogenen geassocieerd met NKG en directzaai zijn
Pythium, Fusarium en Rhizoctonia. Wat plagen betreft, vormen slakken en muizen de grootste bedreiging. Daarnaast merkt men ook meer overlast van bv. ritnaalden, emelten en aardrupsen.
Merk echter op dat weersomstandigheden en andere teeltmaatregelen vaak meer doorslaggevend zijn dan bewerking. Denk daarbij bv. aan de toepassing van resistente gewassen en een uitgekiende en voldoende ruime teeltrotatie.
Link: C.1.6.3
[10]
Een traditionele ploegbewerking onderdrukt niet alleen ziekte- en plaagverwekkende organismen, maar ondermijnt op lange termijn ook het gehele (functionele) bodemleven. Onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai daarentegen is het risico op ziektes en plagen op korte termijn dan wel groter, maar neemt ook de activiteit van gunstige organismen gaandeweg toe, waardoor verondersteld wordt dat de natuurlijke ziekte- en plaagwerendheid stijgt.
Een "ziekte- of plaagwerende bodem" kan daarbij gedefinieerd worden als een bodem waarin het voorkomen en de ernst van ziektes/plagen heel beperkt blijft, zelfs wanneer pathogenen en plaagverwekkers effectief aanwezig zijn. Zoiets is mogelijk wanneer gunstige organismen pathogenen en plagen onderdrukken, bv. door competitie voor ruimte, water en nutriënten, door het afscheiden van toxische stoffen, of door rechtstreekse predatie (het opeten van de pathogenen/plagen). Onze kennis op dit vlak staat nog in de kinderschoenen, en de eventuele verschillen tussen varianten van gereduceerde bodembewerking zijn nog onvoldoende in kaart gebracht.
Link: C.1.6.3
[11]
Traditioneel ploegen resulteert in een effectieve vernietiging van onkruiden die op het veld staan, het verticaal onderwerken van onkruidzaden of wortelstokken, en een doorgaans goede uitvoerbaarheid van chemische of mechanische onkruidbestrijding. Onder niet-kerende grondbewerking (NKG) daarentegen wordt onkruidbeheersing een pak moeilijker.
Hierdoor ontstaat doorgaans een verhoogde onkruiddruk bij omschakeling. Het zijn vooral grassen en (moeilijker beheersbare) wortelonkruiden die in toenemende mate voor problemen kunnen zorgen, met name nabij de perceelsranden.
Toch wijzen niet alle resultaten in dezelfde richting. Er zijn ook ervaringen met een hogere onkruiddruk onder ploegen, bijvoorbeeld wanneer ondergewerkte gewasresten van aardappelen opslag geven na de winter, daar waar de gewasresten die onder NKG aan het oppervlak blijven kapotvriezen. Vaak spreekt men ook van een verschuiving in soorten eerder dan van een hoger totaal aantal onkruiden. Veel hangt af van het tijdstip, weersomstandigheden, de exacte manier waarop een bodembewerking wordt uitgevoerd, en andere teelttechnische maatregelen. Onder monocultuur worden meer problemen verwacht dan in een gevarieerde teeltrotatie.
Link: C.1.6.3
[12]
De ervaringen rond de impact van bodembewerking op teeltkost zijn erg uiteenlopend, en veel is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en werktuigen.
Bij teeltkosten kan men in eerste instantie aan
brandstofverbruik denken. Een besparing op het brandstofverbruik kan met name bewerkstelligd worden door (1) een reductie in trekkrachtvereisten en dus brandstofverbruik per werkgang, of (2) het uitsparen van één of meerdere werkgangen. Omdat de trekkrachtvereisten voor een niet-kerende grondbewerking (NKG) doorgaans kleiner zijn dan voor ploegen, bestaat effectief de kans dat aan het eerste criterium voldaan wordt. Of gereduceerde bodembewerking ook effectief werkgangen uitspaart, is een veel complexere vraag. Zeker voor diepere NKG is dit weinig vanzelfsprekend.
Bovendien zijn vaak een aantal extra werkgangen nodig bij NKG zoals voor het onderwerken van groenbedekkers of organische mest, daar waar het kerend inwerken van de groenbedekker of de mest automatisch gebeurt tijdens het ploegen. Men kan daarom concluderen dat in de praktijk het brandstofverbruik regelmatig ook hoger ligt onder NKG.
Het eindresultaat zal dus ondermeer afhangen van de termijn waaronder een bodem reeds onder NKG ligt, het aantal benodigde werkgangen over de hele rotatie bekeken (dus inclusief de groenbedekkers), en de bewerkingsomstandigheden. Globaal kan men concluderen dat de effecten erg variabel en relatief beperkt zijn.
Tot slot: de brandstofefficiëntie wordt voor een groot aandeel bepaald door het rijgedrag van de bestuurder, correct gebruik van frontgewichten, en aangepast gebruik van bandentype, -breedte en –spanning.
Link: C.1.6.4
[13]
Omdat het effect van bodembewerking op de uiteindelijke gewasopbrengst wordt bepaald door een heel brede waaier aan effecten op de bodem, is het niet meer dan logisch dat de resultaten van verschillende studies en ervaringen vaak contrasterend zijn. Samenvattend kan echter worden gesteld dat de gewasopbrengsten bij ploegen en niet-kerende grondbewerking (NKG) voor de meeste gewassen van eenzelfde grootteorde zijn, zeker op langere termijn en in teeltrotatie. Dat blijkt ook uit heel wat proefveldmetingen uitgevoerd binnen het projectgebied. Op kortere termijn wordt regelmatig een lichte daling van de opbrengst onder NKG ten opzichte van ploegen vastgesteld (gemiddelde 4,5 %), aangezien de bodem tijd nodig heeft om tot een nieuw evenwicht te komen.
Of de uiteindelijke balans positief zal zijn, is ook afhankelijk van de specifieke situatie en het gewas, en wordt mee bepaald door de exacte methode waarop een bewerking wordt uitgevoerd. Niet alleen de biomassa maar ook de kwaliteit van het eindproduct is van belang. Soms wordt bv. melding gemaakt van kwaliteitsproblemen bij aardappelen en suikerbieten, maar dit hangt af van de omstandigheden. Zo worden bij bieten problemen met wortelvertakking verwacht wanneer men de bodem onvoldoende diep losmaakt, het vochtgehalte op het moment van losbreken te hoog is of anderzijds te droog, of de afstand tussen twee tanden op een cultivator te groot is.
Link: C.1.6.4

[14]
NKG = niet-kerende grondbewerking, gedefinieerd als elk systeem waarbij het intensief keren of mengen van de grond wordt uitgesloten. In de praktijk komt dit min of meer overeen met ploegloos telen; in de Zuid-Limburgse (NL) erosieverordening wordt ook ploegen tot 12 cm diep als NKG beschouwd.
Ondiepe NKG (te vergelijken met een zaaibedbereiding) gebeurt bv. met een schijveneg  of rotorkopeg.
Link: C.1.1 en C.1.9.4
[15]
Bewerkbaarheid wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid, en technische uitvoerbaarheid.
1.
De effecten van niet-kerende grondbewerking (NKG) op reductie van run-off en erosie zijn positief, zeker bij behoud van het gewasresidu (zie de daartoe voorziene cellen).
2.
De praktische uitvoerbaarheid is vaak echter minder vanzelfsprekend dan bij ploegen. Denk daarbij bv. aan de minder homogene bodemcondities, het groter risico op slip van de trekkerwielen onder natte omstandigheden, of het verstoppen van werktuigen door gewasresten.
3. De
impact van gereduceerde bodembewerking op de draagkracht van de bodem is doorgaans positief op langere termijn. De bodemsterkte neemt namelijk gaandeweg toe, vooral dankzij de hogere aggregaatstabiliteit, het actiever bodemleven, en de stabielere structuur en porositeit. Toch kan de draagkracht van de bodem onder NKG tijdelijk in het gedrang komen. Net als bij ploegen, is dit vaak het geval onder te natte omstandigheden, waarbij het risico op verdichting stijgt. Dit risico neemt wellicht toe naarmate de bewerking minder diep gebeurt, en is grootst bij te vroeg berijden in het voorjaar en te laat in het najaar. Onder NKG droogt een bodem bovendien vaak minder snel op. Zodoende is het tijdstip waarop NKG uitgevoerd zou moeten worden vaak moeilijk te verenigen met de praktijk. Veel is afhankelijk van het bodemtype en de keuze voor een geschikt werktuig en geschikt materiaal.
Link: C.1.6.1
[16]
De ervaringen rond de impact van bodembewerking op teeltkost zijn erg uiteenlopend, en veel is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en werktuigen.
Bij teeltkosten kan men in eerste instantie aan
brandstofverbruik denken. Een besparing op het brandstofverbruik kan met name bewerkstelligd worden door (1) een reductie in trekkrachtvereisten en dus brandstofverbruik per werkgang, of (2) het uitsparen van één of meerdere werkgangen. Omdat de trekkrachtvereisten voor een niet-kerende grondbewerking (NKG) doorgaans kleiner zijn dan voor ploegen, met name bij een meer oppervlakkige bewerking, bestaat effectief de kans dat aan het eerste criterium voldaan wordt. Of gereduceerde bodembewerking ook effectief werkgangen uitspaart, is een veel complexere vraag. Voor directzaai of een niet-kerende grondbewerking onder de vorm van een oppervlakkige zaaibedbereiding, kan doorgaans minstens één werkgang uitgespaard worden door het achterwege laten of combineren van werkgangen. Voor diepere NKG wordt dit al minder vanzelfsprekend.
Bovendien zijn vaak een aantal extra werkgangen nodig bij NKG zoals voor het onderwerken van groenbedekkers of organische mest, daar waar het kerend inwerken van de groenbedekker of de mest automatisch gebeurt tijdens het ploegen. Men kan daarom concluderen dat in de praktijk het brandstofverbruik regelmatig ook hoger ligt onder NKG.
Het eindresultaat zal dus ondermeer afhangen van de termijn waaronder een bodem reeds onder NKG ligt, het aantal benodigde werkgangen over de hele rotatie bekeken (dus inclusief de groenbedekkers), en de bewerkingsomstandigheden. Globaal kan men concluderen dat de effecten erg variabel en relatief beperkt zijn.
Tot slot: de brandstofefficiëntie wordt voor een groot aandeel bepaald door het rijgedrag van de bestuurder, correct gebruik van frontgewichten, en aangepast gebruik van bandentype, -breedte en –spanning.
Link: C.1.6.4
[17]
Omdat het effect van bodembewerking op de uiteindelijke gewasopbrengst wordt bepaald door een heel brede waaier aan effecten op de bodem, is het niet meer dan logisch dat de resultaten van verschillende studies en ervaringen vaak contrasterend zijn. Samenvattend kan echter worden gesteld dat de gewasopbrengsten bij ploegen en niet-kerende grondbewerking (NKG) voor de meeste gewassen van eenzelfde grootteorde zijn, zeker op langere termijn en in teeltrotatie. Dat blijkt ook uit heel wat proefveldmetingen uitgevoerd binnen het projectgebied. Echter, hoe minder intensief (diep) de bewerking, des te groter het risico op opbrengstderving.
Ook op kortere termijn wordt regelmatig een lichte daling van de opbrengst onder NKG ten opzichte van ploegen vastgesteld, aangezien de bodem tijd nodig heeft om tot een nieuw evenwicht te komen.
Of de uiteindelijke balans positief zal zijn, is ook afhankelijk van de specifieke situatie en het gewas, en wordt mee bepaald door de exacte methode waarop een bewerking wordt uitgevoerd. Niet alleen de biomassa maar ook de kwaliteit van het eindproduct is van belang. Soms wordt bv. melding gemaakt van kwaliteitsproblemen bij aardappelen en suikerbieten, maar dit hangt af van de omstandigheden. Zo worden bij bieten problemen met wortelvertakking verwacht wanneer men de bodem onvoldoende diep losmaakt, het vochtgehalte op het moment van losbreken te hoog is of anderzijds te droog, of de afstand tussen twee tanden op een cultivator te groot is.
Link: C.1.6.4

[18]
Directe inzaai of directzaai is de methode waarbij het hoofdgewas wordt ingezaaid in de gewasresten van de vorige teelt of van een doodgevroren of doodgespoten groenbedekker, zonder dat de gewasresten worden ondergewerkt. De gewasresten blijven hierbij doorgaans gedurende de opkomst van het nieuwe hoofdgewas ongestoord boven op de grond liggen.
Link: C.1.1
[19]
Bewerkbaarheid wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid, en technische uitvoerbaarheid.
1.
De effecten van directzaai op reductie van run-off en erosie zijn positief, zeker bij behoud van het gewasresidu (zie de daartoe voorziene cellen).
2.
De praktische uitvoerbaarheid is vaak iets minder vanzelfsprekend dan bij ploegen. Denk daarbij bv. aan de minder homogene bodemcondities of het verstoppen van werktuigen door gewasresten.
3. Verwacht wordt dat de
draagkracht positief beïnvloed wordt door de toepassing van directzaai, zeker op langere termijn. De bodemsterkte neemt namelijk gaandeweg toe, vooral dankzij de hogere aggregaatstabiliteit, het actiever bodemleven, en de stabielere structuur en porositeit. Het risico op bodemverdichting is ook onder directzaai reeël, maar wanneer wortelontwikkeling, gasuitwisseling en drainage niet belemmerd worden, vormt een eventueel compactere laag net een buffer tegen verdere verdichting van de diepere bodemlagen.
Link: C.1.6.1
[20]
Traditioneel ploegen resulteert in een effectieve vernietiging van onkruiden die op het veld staan, het verticaal onderwerken van onkruidzaden of wortelstokken, en een doorgaans goede uitvoerbaarheid van chemische of mechanische onkruidbestrijding. Onder directzaai daarentegen wordt onkruidbeheersing een pak moeilijker.
Hierdoor ontstaat doorgaans een verhoogde onkruiddruk. Het zijn vooral grassen en (moeilijker beheersbare) wortelonkruiden die in toenemende mate voor problemen kunnen zorgen.
Toch wijzen niet alle resultaten in dezelfde richting. Vaak spreekt men van een verschuiving in soorten eerder dan van een hoger totaal aantal onkruiden. Veel hangt af van het tijdstip, weersomstandigheden, en andere teelttechnische maatregelen.
Verschillende proeven geven iets meer onkruiddruk aan bij directzaai dan bij niet-kerende grondbewerking (NKG).
Link: C.1.6.3
[21]
De ervaringen hierrond zijn erg uiteenlopend, en veel is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en werktuigen.
Bij teeltkosten kan men in eerste instantie aan
brandstofverbruik denken. Een besparing op het brandstofverbruik kan met name bewerkstelligd worden door (1) een reductie in trekkrachtvereisten en dus brandstofverbruik per werkgang, of (2) het uitsparen van één of meerdere werkgangen.
Bij
directzaai vallen vanzelfsprekend één of meerder werkgangen voor bodembewerking weg, waardoor het brandstofverbruik en de teeltkosten in hun geheel snel dalen. Toch is hier enige omzichtigheid geboden omwille van de eventueel extra benodigde inspanningen betreffende bv. onkruidbeheersing of gewasbescherming.
Link: C.1.6.4

[22]
Omdat het effect van bodembewerking op de uiteindelijke gewasopbrengst wordt bepaald door een heel brede waaier aan effecten op de bodem, is het niet meer dan logisch dat de resultaten van verschillende studies en ervaringen vaak contrasterend zijn. Samenvattend is doorgaans echter sprake van een daling in gewasopbrengsten bij directzaai ten opzichte van ploegen (gemiddeld 8,5 %). Een belangrijke reden daarvoor is dat hoe minder intensief de bewerking is, des te groter het risico op opbrengstderving.
Zeker op kortere termijn wordt een daling van de opbrengst vastgesteld, aangezien de bodem tijd nodig heeft om tot een nieuw evenwicht te komen.
Of de uiteindelijke balans positief zal zijn, is ook afhankelijk van de specifieke situatie en het gewas.
Link: C.1.6.4

[23]
Met "mulching" wordt verwezen naar het bedekken van of licht inwerken in de bodem van organisch materiaal afkomstig van gewasresten, stro of groenbedekkers.
Bodembewerking is in de praktijk doorgaans bepalend voor het residubeheer, en de effecten van beiden zijn dan ook moeilijk strikt van elkaar te onderscheiden. Met deze maatregel willen we expliciet het effect aangeven van mulching.
Link: C.1.1
[24]
Bewerkbaarheid wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid, en technische uitvoerbaarheid.
1. De
erosiegevoeligheid neemt zeker af bij behoud van het gewasresidu (zie de daartoe voorziene cellen).
2. Een moeilijkheid op vlak van
praktische uitvoerbaarheid is vaak het verstoppen van werktuigen door gewasresten.
3. Over de impact van mulching op de
draagkracht van de bodem is onvoldoende informatie beschikbaar, hoewel ze doorgaans positief ingeschat wordt.
Link: C.1.6.1
[25]
Heel wat potentieel negatieve gevolgen van bodembeheer voor ziekte- en plaagwerendheid, zijn gerelateerd aan het behoud van organisch materiaal op of vlak onder het bodemoppervlak. Dat substraat fungeert daarbij als voedselbron en overbrugging tussen twee opeenvolgende gewassen, en creëert gunstige groeiomstandigheden voor een aantal pathogenen, zoals een koeler en vochtiger bodemoppervlak. Dit is bv. het geval voor de pathogenen Pythium en Fusarium, maar ook voor Botrytis, meeldauw of roest.
Verder vormt een perceel met gewasresten op het oppervlak een aantrekkelijk habitat voor slakken en muizen.
Link: C.1.6.3
[26]
Heel wat potentieel negatieve gevolgen van bodembeheer voor ziekte- en plaagwerendheid, zijn gerelateerd aan het behoud van organisch materiaal op of vlak onder het bodemoppervlak. Dat substraat fungeert daarbij als voedselbron en overbrugging tussen twee opeenvolgende gewassen, en creëert gunstige groeiomstandigheden voor een aantal pathogenen, zoals een koeler en vochtiger bodemoppervlak.
Ondanks het groter risico op ziektes en plagen op korte termijn, neemt ook de activiteit van gunstige organismen gaandeweg toe door het behoud van organisch materiaal op het veld, waardoor verondersteld wordt dat de natuurlijke ziekte- en plaagwerendheid stijgt.
Een "ziekte- of plaagwerende bodem" kan daarbij gedefinieerd worden als een bodem waarin het voorkomen en de ernst van ziektes/plagen heel beperkt blijft, zelfs wanneer pathogenen en plaagverwekkers effectief aanwezig zijn. Zoiets is mogelijk wanneer gunstige organismen pathogenen en plagen onderdrukken, bv. door competitie voor ruimte, water en nutriënten, door het afscheiden van toxische stoffen, of door rechtstreekse predatie (het opeten van de pathogenen/plagen). Onze kennis op dit vlak staat nog in de kinderschoenen.
Link: C.1.6.3
[27]
Verwacht wordt dat het behoud van organisch materiaal op het bodemoppervlak het kiemen van onkruid belemmert.
Verder kan de vaak negatief ervaren aantrek van muizen op het vlak van onkruidonderdrukking een positief neveneffect veroorzaken: muizen evenaals allerlei loopkevers kunnen enorme hoeveelheden onkruidzaad opeten.
Link: C.1.6.3
[28]
Gewaskeuze en gewasopvolging binnen een rotatie worden vertaald in een teeltrotatie.
Link: C.2
[29]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte via de aanvoer van gewasresten (zie de daarvoor voorziene cellen). De organische stofhoeveelheid en het bodemleven spelen namelijk een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes, wat bijdraagt tot een verhoogde aggregaatstabiliteit en dus mogelijk leidt tot een grotere draagkracht en verminderd risico op erosie.

Link: C.2.2.2 en C.2.3.1
[30]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding. Het roteren van verschillende gewassen (gewassen die genetisch niet verwant zijn) blijkt met name erg effectief te zijn als men te maken heeft met bodemgebonden, gewasspecifieke ziektes of plagen (bv. aardappelcystenaaltje). Lang wachten om hier met hetzelfde gewas opnieuw te komen kan voldoende zijn om de plantenbeschadigers te verminderen in aantal of helemaal te doen verdwijnen, wegens gebrek aan een waardplant. Daarenboven zorgt de afwisseling van verschillende pesticiden voor een vertraagde resistentieontwikkeling. Vruchtwisseling helpt niet wanneer de schadeverwekkers mobiel en niet-gewasspecifief zijn.

Link: C.2.4.1

[31]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een relatief grote impact hebben op de onkruiddruk. Processen die daarbij van belang zijn, zijn ondermeer het voldoende afwisselen van gewassen, het vormen van een snelle bedekking en het zaaitijdstip.

Link: C.2.4.1

[32]
De impact van teeltrotatie op gewasopbrengst hangt grotendeels af van de samenstelling van die rotatie: de ervaring leert daarbij dat het afwisselen van gewassen in de tijd (in tegenstelling tot een monocultuur) een garantie is voor betere gewasprestaties.
Desalniettemin wordt de opbrengst van een gewas beïnvloed door een brede waaier aan andere factoren. Denk aan de weersomstandigheden, het bodemtype, de bemesting, de ziektedruk, de bodemkwaliteit of de vochtvoorziening in de bodem.
Sommige van deze factoren verschillen van jaar tot jaar, wat maakt dat ook de gewasopbrengsten onderhevig zijn aan schommelingen. Als alle factoren optimaal zijn, zullen maximale gewasopbrengsten bereikt worden.
Link: C.2.4.2
[33]
De toenemende specialisatie in de landbouwsector in onze contreien heeft geleid tot enge rotaties. Zo hebben de melkveebedrijven vaak nog maar twee gewassen, zijnde grasland en maïs. Het merendeel van de maïs wordt onrijp geoogst en volledig verhakseld (grofgemalen). Het wordt als snijmaïs of kuilmaïs voornamelijk aan rundvee gevoederd (voedermaïs).
Link: C.2.2.1
[34]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen).
Onder een
monocultuur snijmaïs dalen gaandeweg het organische stofgehalte en de activiteit van het  bodemleven, en hierdoor ook de aggregaatstabiliteit. Dit maakt dat de bodem minder draagkracht vertoont. Bovendien gebeurt de oogst van snijmaïs doorgaans vrij laat en onder nattere omstandigheden, en dus op een moment waarop de draagkracht relatief laag is.
Ook op vlak van erosiegevoeligheid scoort snijmaïs slecht.
Link: C.2.2.2 en C.2.3.1
[35]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding.
Bij een
monocultuur verwacht men meer problemen met ziekten en plagen. Bovendien worden jaar na jaar dezelfde pesticiden gebruikt waardoor resistentieontwikkeling versnelt. Maïs heeft als gewas weinig last van bodemgebonden ziekten en plagen en kan daarom goed in continuteelt worden verbouwd. Toch werd aangetoond dat de kans op wortelverbruining, een schimmelaantasting door o.a. Pythium spp. en Fusarium spp., bij continuteelt toeneemt. Dit geldt ook voor de wortelaaltjes Pratylenchus en Tylenchorhynchus. De omvang van de schade is moeilijk aan te geven, maar bedraagt wellicht enkele procenten.
Link: C.2.4.1
[36]
Bij een monocultuur snijmaïs wordt een toename in de onkruiddruk verwacht. Onderzoek toonde aan dat een monocultuur maïs een erg grote onkruidzaadbank bezit, echter met een beperkte diversiteit. Daarbij komen vooral thermofiele (warmteminnende) onkruiden tot ontwikkeling. Bij een monocultuur worden jaar na jaar dezelfde herbiciden toegepast, waardoor de selectiedruk op onkruiden toeneemt en het ontwikkelen van resistentie versnelt. Een bekend voorbeeld is de toename van Hanepoot (Echinochloa crus-galli L.) in maïs. Vanwege de relatief late inzaai van maïs in het voorjaar en de lange periode voor gewassluiting kan dit laat ontkiemde onkruidgras zich goed ontwikkelen. In continuteelt van maïs kan het zich daardoor sterk uitbreiden.
Link: C.2.4.1
[37]
Enerzijds is de toepassing van een monocultuur doorgaans economisch efficiënter dan het telen van een diversiteit aan gewassen. Zo vereist een monocultuur minder machines en minder diverse expertise. Anderzijds dient soms een overmaat aan meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen ingezet te worden om de problemen die onstaan ten gevolge van een monocultuur aan te pakken.
Ondernemers proberen een bouwplan samen te stellen waarbij het inkomen wordt gemaximaliseerd, zonder grote risico’s op schade door bodemgebonden ziekten en plagen, te late oogst- of zaaitijdstippen of een te laag organische stofgehalte.
Met
snijmaïs kunnen melkveehouders samen met gras(kuil) en krachtvoer tot een optimaal voederrantsoen komen. De continuteelt van snijmaïs in de melkveehouderij heeft vaak meer praktische dan economische redenen, zoals de onmogelijkheid om percelen te beweiden vanwege de afstand tot het bedrijf. Verder is de teelt van snijmaïs eenvoudig. In de meeste gevallen is daarom vanuit een economisch standpunt geen behoefte aan andere voedergewassen naast maïs.
Link: C.2.4.2
[38]
Doorgaans gaan gewasprestaties geleidelijk achteruit onder volgehouden monocultuur.
Maïs is echter behoorlijk zelfverdraagzaam waardoor geen te grote opbrengstderving te verwachten valt bij een monocultuur. Men verwacht wel een achteruitgang van de fysische en chemische bodemvruchtbaarheid. Snijmaïs voegt immers weinig organisch materiaal toe aan de bodem, met een daling in het organische stofgehalte tot gevolg. Ook kan men een toename van de onkruidzaadvoorraad in de bodem verwachten (vooral van thermofiele onkruiden) en meer problemen met ziekten en plagen.
Diverse onderzoeken hebben reeds aangetoond dat de
teelt van snijmaïs in monocultuur meestal leidt tot een lagere snijmaïsopbrengst dan wanneer deze maïs geteeld wordt in een rotatie met andere gewassen.
Link: C.2.4.2
[39]
Onder een gevarieerde teeltrotatie wordt hier begrepen het gevarieerd afwisselen van gewassen met een verschillende groeikarakteristiek (bv ondiep en diep wortelend) en een verschillend zaai- en oogsttijdstip. De rijkdom of variatie van een teeltrotatie neemt bv. ook toe bij het achterwege laten van braak, het uitbreiden van een rotatie met meer gewassen, het telen van groenbedekkers, of het omschakelen van een monocultuur naar rotatie.
Link: C.2.1 en C.2.2
[40]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen).
Het
afwisselen van ondiep en diep wortelende gewassen zorgt voor een betere bodemstructuur en een beperkter risico op erosie. Een ideaal gevarieerde teeltrotatie slaagt er bovendien in om het organische stofgehalte op peil te houden en het bodemleven te stimuleren, waardoor de aggregaatstabiliteit toeneemt en de draagkracht van de bodem verhoogt.
Link: C.2.2.2 en C.2.3.1
[41]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding.
Het
roteren van verschillende gewassen helpt ziekten en plagen te beheersen, in functie van hun mobiliteit en specificiteit. Teeltrotatie blijkt erg effectief te zijn als men te maken heeft met bodemgebonden, gewasspecifieke plagen (bv. aardappelcystenaaltje). Lang wachten om hier met hetzelfde gewas opnieuw te komen kan voldoende zijn om de plantenbeschadigers te verminderen in aantal of helemaal te doen verdwijnen, wegens gebrek aan een waardplant. Daarenboven zorgt de afwisseling van verschillende pesticiden voor een vertraagde resistentieontwikkeling. Vruchtwisseling helpt niet wanneer de schadeverwekkers mobiel en niet-gewasspecifief zijn.
Link: C.2.4.1
[42]
Een goede teeltrotatie kan het onkruidprobleem sterk reduceren, en leiden tot een afname van de zaadvoorraad in de bodem. Bepaalde onkruiden krijgen namelijk geen kans onder een specifiek gewas. Zo komen kiemplanten van onkruiden die vóór de winter kiemen (bv. duist, echte kamille) minder voor in zomergewassen, terwijl thermofiele onkruiden (dit zijn warmteminnende onkruiden, bv. zwarte nachtschade, melganzevoet) geen kans krijgen in een wintergewas.
Teeltrotatie betekent ook een afwisseling van herbiciden en zodoende een vertraging van het ontwikkelen van resistentie.
Link: C.2.4.1
[43]
Ondanks de positieve impact van een gevarieerde teeltrotatie op de gewasopbrengst, brengt een monocultuur doorgaans minder teeltkosten met zich mee. Meer gewassen vereisen immers meer machines, meer gewasbeschermingsmiddelen en een wijdere kennis. Samenwerking tussen verschillende bedrijven waarbij de vruchtwisseling over de verschillende bedrijven heen loopt kan een oplossing bieden.
Link: C.2.4.2
[44]
De ervaring leert dat het afwisselen van gewassen in de tijd een garantie is voor betere gewasprestaties. De gunstige invloed op de fysische,chemische en biologische bodemvruchtbaarheid vertaalt zich op termijn in een gezondere plant en hogere opbrengsten.
Deze ervaring zou echter nog beter onderbouwd kunnen worden door lange termijn proeven.
Link: C.2.4.2
[45]
Aardappelen en (suiker)bieten vormen een belangrijk aandeel van de akkerbouwgewassen in Nederland en Vlaanderen. Deze rooigewassen worden doorgaans geassocieerd met een relatief intensieve bodemverstoring.
Zie ook C.1.7

[46]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen).
De oogst van
bieten gebeurt laat op het jaar, met zware machines en vaak in minder goede (te natte) omstandigheden. De hieruit voortvloeiende schade aan de bodemstructuur is nefast voor de draagkracht van de bodem.
Aardappelen brengen weinig organisch materiaal aan, waardoor op termijn het organische stofgehalte en de activiteit van het bodemleven achteruit gaan. In combinatie met de intensieve bewerking gepaard gaande met de bouw van ruggen en het rooien van de aardappelen, zal dit gaandeweg resulteren in een verminderde draagkracht van de bodem.
Link: C.2.2.2 en C.2.3.1
[47]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding.
De belangrijkste ziekte in
aardappelen is de schimmelziekte Phytophtora infestans. Kenmerkend voor deze ziekte is dat ze in vatbare rassen in korte tijd, één à twee weken, in staat is het loof volledig te vernietigen. Ook de knollen kunnen worden aangetast, waardoor deze verrotten. In Vlaanderen bestaat het areaal voor een groot deel uit voor de ziekte zeer vatbare rassen. Daarom vindt tijdens de teelt een intensieve preventieve bestrijding plaats.
Bij
bieten vormen vooral het bietencystenaaltje, het Rhizomanievirus en de bodemschimmel Rhizoctonia een probleem. Een ruime vruchtwisseling en/of het verbouwen van resistente rassen geeft hier de beste resultaten.
Link: C.2.4.1

[48]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een relatief grote impact hebben op de onkruiddruk. Processen die daarbij van belang zijn, zijn ondermeer het voldoende afwisselen van gewassen, het vormen van een snelle bedekking en het zaaitijdstip.
In
aardappelen en bieten komen vooral lentekiemers aan bod zoals bv. varkensgras, melganzevoet, perzikkruid. Daarnaast verdienen in bieten ook schieters (onkruidbieten: dit zijn bieten die reeds in het eerste jaar overgaan tot zaadproductie) de nodige aandacht. Schieters die rijp zaad leveren, kunnen een serieuze bedreiging vormen voor de bietenteelt in de toekomst door het ontstaan van een groot onkruidprobleem. Het verbouwen van minder gevoelige rassen, een later oogsttijdstip of het kappen van de schieters vooraleer ze zaad kunnen produceren, kunnen hier een oplossing bieden.
Link: C.2.4.1
[49]
De teeltkosten voor deze rooigewassen liggen relatief hoog. Vooral aardappelen vereisen een intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (aardappelen zijn gevoelig aan Phytophthora, zie ziekte- en plaagdruk). Voor de diverse bespuitingen zijn meerdere werkgangen vereist, waardoor ook het brandstofverbruik oploopt. Het doodspuiten van het loof vraagt eveneens een extra werkgang.
Ook bij
bieten liggen de kosten voor gewasberschermingsmiddelen hoog. Bovendien gebeurt de oogst door zware machines in vaak minder gunstige (bv. te natte) omstandigheden waardoor ook de oogstkosten kunnen oplopen.
Daartegenover staat dat rooivruchten, zoals aardappelen en suikerbieten, gemiddeld een hoger globaal saldo (verschil tussen opbrengsten en teeltkosten) geven dan bv. granen of maïs.
Link: C.2.4.2
[50]
De impact van teeltrotatie op gewasopbrengst hangt grotendeels af van de samenstelling van die rotatie: de ervaring leert daarbij dat het afwisselen van gewassen in de tijd (in tegenstelling tot een monocultuur) een garantie is voor betere gewasprestaties.
Desalniettemin wordt de opbrengst van een gewas beïnvloed door een brede waaier aan andere factoren. Denk aan de weersomstandigheden, het bodemtype, de bemesting, de ziektedruk, de bodemkwaliteit, de vochtvoorziening in de bodem.
Sommige van deze factoren verschillen van jaar tot jaar, wat maakt dat ook de gewasopbrengsten onderhevig zijn aan schommelingen. Als alle factoren optimaal zijn, zullen maximale gewasopbrengsten bereikt worden.
Link: C.2.4.2
[51]
Graangewassen (met name tarwe en gerst) vormen een belangrijk aandeel van de akkerbouwgewassen in Nederland en Vlaanderen.
Ondanks de op dit moment relatief beperkte financiële opbrengst geassocieerd met deze graangewassen, zijn ze vanuit bodemkwalitatief standpunt doorgaans erg waardevol.

[52]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen).
Graangewassen hebben een intensieve beworteling en zijn in staat om relatief grote hoeveelheden organisch materiaal aan de bodem toe te voegen, tenminste indien de resten op het veld achtergelaten worden. Dit resulteert doorgaans in een verhoogde draagkracht. Ook gebeurt de oogst doorgaans in goede (voldoende droge) omstandigheden, en dus op een moment waarop de draagkracht relatief groot is en de kans op structuurschade klein.
Link: C.2.3.1
[53]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding.
Wintertarwe kan door een groot aantal schimmelziekten worden aangetast: aarziekten (bv. aarfusarium), kiemschimmels (bv. stuifbrand), voetziekten (bv. Fusarium) en bladziekten (bv. meeldauw).
Daarnaast kunnen ook duiven, ganzen, slakken en bladluizen voor aanzienlijke schade zorgen.
Link: C.2.4.1
[54]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een relatief grote impact hebben op de onkruiddruk. Processen die daarbij van belang zijn, zijn ondermeer het voldoende afwisselen van gewassen, het vormen van een snelle bedekking en het zaaitijdstip.
In
wintergranen groeien winterannuellen. Dit zijn onkruiden die voor de winter kiemen, zoals bv. windhalm, duist of echte kamille. Onkruiden die pas in de lente kiemen (bv. melganzevoet, perzikkruid) krijgen geen kans onder een snel ontwikkelend wintergraan in de lente.
Link: C.2.4.1
[55]
De teeltkosten voor graangewassen liggen een pak lager dan bv. het geval is voor aardappelen. Anderzijds, als men het totale plaatje bekijkt, is de netto opbrengst (opbrengsten min teeltkosten) voor graangewassen laag in vergelijking met bv. suikerbieten en aardappelen, gezien de relatief lage verkoopsprijs per productie eenheid.
Link: C.2.4.2
[56]
Ook in een akkerbouwsysteem kan de tijdelijke inbouw van grasland in de teeltrotatie een waardevolle maatregel zijn. Met name de permanente bedekking, beworteling en aanvoer van organisch materiaal zijn vanuit bodemkwalitatief standpunt doorgaans erg interessant.
Link: C.2.5
[57]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen).
Het
inbouwen van grasland in de teeltrotatie garandeert een sterke organische stofopbouw, een constante bedekking van de bodem, sterke beworteling, een beperkte verstoring van de bodem en de opbouw van een actief bodemleven. Elk van deze resultaten draagt bij tot een verhoging van de draagkracht en een zeer lage erosiegevoeligheid.
Link: C.2.2.2 en C.2.3.1
[58]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding.
Hoewel bodempathogenen, waaronder nematoden, vrij algemeen in de
graslandbodem voorkomen, wordt hieraan weinig aandacht besteed. Bodemgezondheid in grasland is in het algemeen geen belangrijk onderwerp en ook over schadedrempels zijn weinig gegevens bekend. Echter, wordt grasland geteeld in een vruchtwisseling met andere gewassen, dan kunnen er in de grond en oude graszode overblijvende larven van insecten in het volggewas soms problemen veroorzaken, zoals ritnaalden en emelten. Deze kunnen ook schade veroorzaken in onder andere maïs en aardappelen.
Link: C.2.4.1
[59]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een relatief grote impact hebben op de onkruiddruk. Processen die daarbij van belang zijn, zijn ondermeer het voldoende afwisselen van gewassen, het vormen van een snelle bedekking en het zaaitijdstip.
Het land voor vrij lange tijd
onder grasland leggen is één van de beste methoden om ernstige onkruidproblematiek aan te pakken. Zaden die niet erg lang kiemkrachtig blijven, verliezen hun kiemkracht tijdens de graslandperiode en komen in een volgende akkerfase niet meer voor. Het inpassen van tijdelijk grasland in een rotatie heeft als het ware een 'opruimeffect'.
Link: C.2.4.1
[60]
Het inbouwen van tijdelijk grasland in de rotatie brengt weinig kosten met zich mee. Na eenmalige aanleg kan het grasland voor verschillende jaren uitgebaat worden. Ook het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt tot een minimum herleid.
Het gebruik van minerale meststoffen is dan weer vergelijkbaar met dat van de gangbare akkerbouwgewassen. Anderzijds laat het inploegen van tijdelijk grasland wel toe om het volggewas te telen zonder input van minerale meststoffen.
Link: C.2.4.2
[61]
Een groenbedekker kan gedefinieerd worden als een gewas dat voor het in stand houden of verbeteren van de fysische, chemische en biologische bodemcondities wordt geteeld. Dit gewas levert in vele gevallen geen te verkopen of in de bedrijfsvoering te gebruiken product op.
Het algemene effect van de teelt van groenbedekkers wordt beschreven in de begeleidende tekstjes horende bij deze 1e rij "groenbedekkers". Specifieke karakteristieken en nuances voor grasachtigen, bladrijken en vlinderbloemigen, worden verder per type in kaart gebracht, indien relevant om te onderscheiden van de algemene trend. Voor soortspecifieke karakteristieken wordt verder verwezen naar
Bijlage I.
Link: C.3
[62]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid.
Wat de
technische uitvoerbaarheid betreft, zijn typische knelpunten gerelateerd aan de toepassing van groenbedekkers bv. de tijdige inzaai bij een late oogst van de teelt voorafgaand aan de groenbedekker, een efficiënte vernietiging en inwerking van groenbedekkers, en het feit dat bodembewerking in het najaar (vóór de inzaai van de groenbedekker) wegens tijdsgebrek vaak in ongunstig natte omstandigheden gebeurt.
De effecten van de teelt van groenbedekkers op de
draagkracht van de bodem werden dan weer zelden benadrukt in voorafgaande studies.
Enerzijds kan men veronderstellen dat een regelmatige toepassing van groenbedekkers een positieve impact heeft op de organische stofhoeveelheid en het bodemleven. Die spelen een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes, waardoor groenbedekkers bijdragen aan een verhoogde aggregaatstabiliteit en dus mogelijk leiden tot een grotere draagkracht.
Anderzijds kan de bewerkbaarheid van de bodem (tijdelijk) in het gedrang komen wanneer de toplaag of ondergrond onvoldoende snel uitdroogt, bv. als gevolg van een sterke bedekking of wanneer een te grote biomassa weggewerkt dient te worden.
Link: C.3.6 en C.3.7.3
[63]
Aandacht gaat voornamelijk uit naar de effecten van groenbedekkers op ziekteverwekkende (plantparasitaire) nematoden of aaltjes. Enerzijds kunnen groenbedekkers waardplanten zijn voor dergelijke nematoden. Dat betekent dat ze een bron van voedsel zijn en zo een brug vormen tussen twee teelten. Anderzijds kunnen groenbedekkers ook onderdrukkend werken. Dat betekent dat ze bv. stoffen afscheiden die schadelijk zijn voor een bepaalde groep nematoden, waardoor ziekteverwekking vermeden wordt. De soort groenbedekker speelt hierin een doorslaggevende rol, en een groenbedekker die de ene aaltjesgroep bestrijdt, kan het probleem met een andere groep net versterken. Algemeen wordt afgeraden een groenbedekker uit te zaaien die tot dezelfde familie behoort als de volgteelt. Voor een meer gedetailleerd overzicht wordt verwezen naar de website www.aaltjesschema.nl. Voor een efficiënt aaltjesreducerend effect is niet alleen de soortkeuze belangrijk, maar moet ook de groeiperiode van de groenbedekker voldoende lang zijn, en de bodemtemperatuur en -vochtigheid voldoende hoog.
Link: C.3.4.1
[64]
Zeker op korte termijn kunnen bij de teelt van groenbedekkers extra problemen optreden, vooral met slakken, vanwege het voedselaanbod en de beschutting. Dit negatieve effect kan beperkt worden door het kiezen voor een vorstgevoelige groenbedekker, het vroeg inwerken, en het hanteren van een beperkte zaaidichtheid. Ook het uitvoeren van een lichte grondbewerking geeft door een snellere opkomst van het volggewas minder kans op schade door slakken.
Link: C.3.4.1
[65]
Diverse processen leiden tot variabele resultaten. Enerzijds kunnen groenbedekkers onkruidonderdrukkend werken door het belemmeren van de kieming van onkruid. Dit is het gevolg van competitie voor ruimte en voedingsstoffen, of het afscheiden van bepaalde schadelijke stoffen door de groenbedekker (te beschouwen als een soort "natuurlijke herbiciden", men spreekt van een "allelopatisch" effect). Anderzijds kunnen groenbedekkers leiden tot een sterkere onkruidontwikkeling door het bemoeilijken van onkruidbehandeling of door opslag uit gewasresten of zaad van de groenbedekker zelf.
Link: C.3.4.1
[66]
Het telen van groenbedekkers brengt heel wat (extra) kosten met zich mee: denk aan de kost voor het zaaien, het zaaizaad, de eventuele N-bijbemesting, het eventuele doodspuiten en het onderwerken. Afhankelijk van de soort groenbedekker, de zaaidichtheid, de types bewerking en de bewerkingsomstandigheden, varieert de totale kostprijs vermoedelijk tussen de 100 en 250 €/ha.
Anderzijds kunnen groenbedekkers ook een besparing betekenen op vlak van bemesting, met name bij gebruik van vlinderbloemigen. Ook compensaties in de vorm van subsidies spelen een belangrijke rol.
Men mag echter ook de vele indirecte voordelen en besparingen niet uit het oog verliezen: beperking van het nitraatresidu, minder erosie, betere bodemstructuur. Daarnaast leveren groenbedekkers soms een extra voedersnede, of zouden ze geteeld kunnen worden als energiegewas. Het is vaak moeilijk deze voordelen in economische termen uit te drukken. Doordachte bedrijfsvoering kan een groot verschil uitmaken in de kostenefficiëntie bij de toepassing van groenbedekkers.
Link: C.3.4.2
[67]
Verschillende effecten van groenbedekkers kunnen een positieve impact op de opbrengst van de hoofdteelt hebben. Denk bv. aan de verbeterde bodemstructuur, de extra N-beschikbaarheid, de verminderde run-off en erosie. In verschillende veldproeven kon een dergelijke (lichte) opbrengststijging aangetoond worden, en dit voor meerdere groenbedekkers en hoofdteelten. Toch leidt de toepassing van groenbedekkers soms ook tot opbrengstderving of oogstproblemen. Denk daarbij bv. aan de toxische stoffen die kunnen vrijkomen na het inwerken van de groenbedekker, de competitie tussen groenbedekker en hoofdteelt bij onderzaai, de vertraagde opdroging van de bodem, of de veronkruiding door opslag uit zaad of gewasresten van de groenbedekker. Globaal kan men uit voorgaande ervaring concluderen dat voor de meeste groenbedekkers de effecten doorgaans beperkt of afwezig zijn, mits een goede soortenkeuze en een goed beheer.
Link: C.3.4.2
[68]
Van deze groenbedekkers worden vaak Italiaans of Engels raaigras gebruikt, en minder frequent ook Westerwolds raaigras, rogge of haver.
Link: C.3.5.1 en Bijlage I
[69]
Zeker op korte termijn kunnen bij de teelt van groenbedekkers extra problemen optreden, vooral met slakken, vanwege het voedselaanbod en de beschutting. Dit negatieve effect kan beperkt worden door het kiezen voor een vorstgevoelige groenbedekker.
Met uitzondering van haver, is de aantrek van
grasachtige groenbedekkers voor slakken sterk tot heel sterk.
Link: C.3.4.1
[70]
De onkruiddruk bij toepassing van grasachtige groenbedekkers kan vrij groot worden:
- De bodembedekking verloopt vrij langzaam. Onkruidonderdrukking, hoewel sterk, komt hierdoor vaak vrij laat tot stand.
- De kans op opslag uit gewasresten van de groenbedekker zelf is doorgaans vrij groot.
Link: C.3.4.1
[71]
Het telen van groenbedekkers brengt heel wat (extra) kosten met zich mee: denk aan de kost voor het zaaien, het zaaizaad, de eventuele N-bijbemesting, het eventuele doodspuiten en het onderwerken. Anderzijds kunnen groenbedekkers ook een besparing betekenen op vlak van bemesting, met name bij gebruik van vlinderbloemigen. Ook compensaties in de vorm van subsidies spelen een belangrijke rol.
Men mag echter ook de vele indirecte voordelen en besparingen niet uit het oog verliezen: beperking van het nitraatresidu, minder erosie, betere bodemstructuur. Daarnaast leveren groenbedekkers soms een extra voedersnede, of zouden ze geteeld kunnen worden als energiegewas.
Verschillende
grassoorten, zoals Italiaans raaigras, winterrogge of triticale, kunnen een kwaliteitsvolle voedersnede opleveren. Dit betekent een (gedeeltelijke) compensatie voor de extra kosten die gepaard gaan met de teelt van groenbedekkers, en die variëren tussen 100 en 250 €/ha.
Link: C.3.4.2
[72]
Vaak zijn dit kruisbloemigen. Regelmatig gebruikte soorten in onze contreien zijn gele mosterd, bladrammenas, facelia en bladkool.
Link: C.3.5.2 en Bijlage I
[73]
Zeker op korte termijn kunnen bij de teelt van groenbedekkers extra problemen optreden, vooral met slakken, vanwege het voedselaanbod en de beschutting. Dit negatieve effect kan beperkt worden door het kiezen voor een vorstgevoelige groenbedekker.
Zodoende is de aantrek van
bladrijke groenbedekkers voor slakken  beperkt voor vorstgevoelige soorten zoals gele mosterd of bladrammenas, maar sterk voor bv. koolzaad.
Link: C.3.4.1
[74]
De onkruiddruk bij toepassing van bladrijke groenbedekkers is doorgaans eerder beperkt:
- Door de doorgaans snelle bodembedekking is de onderdrukking vaak efficiënt.
- Opslag uit zaad of gewasresten van de groenbedekker zelf is variabel en soortafhankelijk.
Link: C.3.4.1
[75]
Het telen van groenbedekkers brengt heel wat (extra) kosten met zich mee: denk aan de kost voor het zaaien, het zaaizaad, de eventuele N-bijbemesting, het eventuele doodspuiten en het onderwerken. Anderzijds kunnen groenbedekkers ook een besparing betekenen op vlak van bemesting, met name bij gebruik van vlinderbloemigen. Ook compensaties in de vorm van subsidies spelen een belangrijke rol.
Men mag echter ook de vele indirecte voordelen en besparingen niet uit het oog verliezen: beperking van het nitraatresidu, minder erosie, betere bodemstructuur. Daarnaast leveren groenbedekkers soms een extra voedersnede, of zouden ze geteeld kunnen worden als energiegewas. Het is vaak moeilijk deze voordelen in economische termen uit te drukken. Doordachte bedrijfsvoering kan een groot verschil uitmaken in de kostenefficiëntie bij de toepassing van groenbedekkers.
Link: C.3.4.2
[76]
Van de vlinderbloemigen worden klaversoorten wellicht meest gebruikt. Minder gekend maar zeer interessant zijn bv. wikke en lupine. Kenmerkend voor vlinderbloemigen is hun stikstoffixerend vermogen: ze zijn in staat om N uit de lucht vast te leggen.
Link: C.3.5.2 en Bijlage I
[77]
Zeker op korte termijn kunnen bij de teelt van groenbedekkers extra problemen optreden, vooral met slakken, vanwege het voedselaanbod en de beschutting. Dit negatieve effect kan beperkt worden door het kiezen voor een vorstgevoelige groenbedekker.
De aantrek van
vlinderbloemige groenbedekkers voor slakken is matig (bv. wikken en lupine) tot sterk (bv. klavers).
Link: C.3.4.1
[78]
Vlinderbloemige groenbedekkers leiden zelden tot opslag uit zaad of gewasresten van de groenbedekker zelf.
Link: C.3.4.1
[79]
Het telen van groenbedekkers brengt heel wat (extra) kosten met zich mee: denk aan de kost voor het zaaien, het zaaizaad, de eventuele N-bijbemesting, het eventuele doodspuiten en het onderwerken. Anderzijds kunnen groenbedekkers ook een besparing betekenen op vlak van bemesting, met name bij gebruik van vlinderbloemigen. Ook compensaties in de vorm van subsidies spelen een belangrijke rol.
Men mag echter ook de vele indirecte voordelen en besparingen niet uit het oog verliezen: beperking van het nitraatresidu, minder erosie, betere bodemstructuur. Daarnaast leveren groenbedekkers soms een extra voedersnede, of zouden ze geteeld kunnen worden als energiegewas.
Meer dan andere groenbedekkers, kan de teelt van
vlinderbloemigen een aanzienlijke besparing op de N-bemesting opleveren. Dit betekent alvast een gedeeltelijke compensatie voor de extra kosten die gepaard gaan met de teelt van groenbedekkers, en die variëren tussen 100 en 250 €/ha.
Link: C.3.4.2
[80]
Onder meststoffen worden deze stoffen verstaan die voedingsstoffen leveren aan de plant of de bodem. Daarnaast kunnen deze stoffen ook een bodemverbeterende werking hebben. Een onderscheid wordt hier gemaakt tussen minerale mest, dierlijke meststoffen en compost.
Link: C.4
[81]
Minerale mest bevat geen organische stof.
Link: C.4.1
[82]
Een overmaat en een onevenwichtig aanbod van voedingstoffen kan de plant gevoeliger maken aan ziekten en plagen.

Link: C.4.5.2
[83]
Veel onkruiden zijn stikstofminnend waardoor bemesting de onkruiddruk verhoogt. De snelheid van vrijgave van nutriënten heeft een sterke invloed op de competitie tussen onkruid en gewas.

Link: C.5.2
[84]
Bemesting zorgt voor voedingsstoffen voor de plant en heeft daardoor een positieve impact op de gewasopbrengst. Voedingstoffen aangebracht via minerale bemesting zijn snel beschikbaar waardoor er een snelle gewasrespons is.

Link: C.4.5.3
[85]
Dierlijke meststoffen bevatten organische stof naast anorganische stoffen. Ze kunnen op basis van inhoud en vorm in een drietal groepen worden onderverdeeld: drijfmest of mengmest, vaste mest, en gier.
Link: C.4.1
[86]
Het effect van diverse dierlijke mestsoorten op ziekteonderdrukking is veel minder onderzocht dan bij compost. Een aantal experimenten in Vlaanderen en Nederland wijzen uit dat dierlijke mest ziekteonderdrukkend kan werken. De resultaten zijn echter te divers en te variabel om eenduidige conclusies te kunnen trekken.

Link: C.4.5.2
[87]
Veel onkruiden zijn stikstofminnend waardoor bemesting de onkruiddruk verhoogt. De snelheid van vrijgave van nutriënten heeft een sterke invloed op de competitie tussen onkruid en gewas. Organische mest kan bijdragen tot de verspreiding van onkruidzaden.

Link: C.5.2
[88]
Organische bemesting, zoals met dierlijke mest, voorziet niet alleen in voedingsstoffen maar is ook gunstig voor de organische stofopbouw, de fysische en biologische bodemkwaliteit en ziekteweerbaarheid van de bodem. Op langere termijn zou dit een meerwaarde moeten bieden en leiden tot grotere gewasopbrengsten. Enkele studies bewijzen deze meerwaarde, maar dit kan niet universeel worden aangetoond. Veel hangt af van de lokale situatie. Uit lange termijnexperimenten blijkt dat wellicht heel grote verschillen in bodemorganischestof, veroorzaakt door de toepassing van organische bemesting, nodig zijn vooraleer een meerwaarde voor de gewasopbrengst (los van de voorziening in voedingststoffen) gerealiseerd kan worden. Meer onderzoek is echter noodzakelijk.
De samenstelling van dierlijke mest is heel variabel. Er zijn dierlijke mestsoorten zoals drijfmest die eerder gewasvoedend zijn. Zij bevatten veel direct opneembare voedingsstoffen en worden gekenmerkt door een snelle mineralisatie van hun organische fractie. Andere dierlijke mestsoorten zoals stalmest zijn eerder bodemvoedend. Ze bevatten veel trager afbreekbare organische stof. De nutriënten in bodemvoedende mestsoorten komen dus langzaam vrij.
Een combinatie van zowel plantenvoedende als bodemvoedende mestsoorten leidt tot de beste resultaten.

Link: C.4.5.3
[89]
Compost bestaat uit (stabiele) organische componenten (humus), minerale componenten en bodemorganismen. Het uitgangsmateriaal kan zowel van plantaardige als dierlijke oorsprong zijn. De grote variatie aan uitgangsmaterialen en composteringsomstandigheden zorgt ervoor dat de samenstelling en de eigenschappen van compost heel variabel zijn.
Link: C.4.1
[90]
Veel experimenten wijzen uit dat compost een ziekteonderdrukkend effect heeft. De resultaten zijn echter sterk variabel en voorlopig kan het niet voorspeld worden aan de hand van composteigenschappen in welke mate een bepaalde compost ziekteonderdrukkend zal werken en tegen welke ziekten. Het meeste onderzoek gebeurde via potproeven. Veldproeven wijzen uit dat een grote ziekteonderdrukking (>50%) slechts bereikt kan worden met grote toepassingen van compost (>100 ton/ha). De mestwetgeving laat dergelijke eenmalige grote dosissen niet toe. Vraag blijft of goede effecten ook met herhaalde kleinere toepassingen van compost bereikt kunnen worden.

Link: C.4.5.2
[91]
Veel onkruiden zijn stikstofminnend waardoor bemesting de onkruiddruk verhoogt. De snelheid van vrijgave van nutriënten heeft een sterke invloed op de competitie tussen onkruid en gewas.
De compostering moet goed worden uitgevoerd. Tijdens het proces moet een voldoende hoge temperatuur worden bereikt (>60-70°C) zodat onkruidzaden hun kiemkracht verliezen.

Link: C.5.2
[92]
Compost voorziet niet alleen in voedingsstoffen maar is ook gunstig voor de organische stofopbouw, de fysische en biologische bodemkwaliteit en ziekteweerbaarheid van de bodem. Op langere termijn zou dit een meerwaarde moeten bieden en leiden tot grotere gewasopbrengsten. Voor meer uitleg wordt verwezen naar het kader 'Dierlijke mest en gewasopbrengst'.
Compost zorgt vooral voor het voeden van de bodem. Alleen compost toepassen zou negatief zijn voor de gewasopbrengst omdat de beschikbaarheid van stikstof uit compost op korte termijn laag is. Bij herhaaldelijke toepassingen zal de mineralisatie en dus ook de stikstofbeschikbaarheid op termijn stijgen.
In combinatie met plantvoedende meststoffen worden de beste resultaten behaald.

Link: C.4.5.3