Criterium   Chemische bodemeigenschappen en -processen Fysische bodemeigenschappen en -processen Biologische bodemeigenschappen Landbouwkundige parameters
Maatregelen OC-gehalte[1] pH[2] Mineralisatie[3] N-beschikbaarheid voor gewas[4] Nitraatverliezen[5] Aggregaatstabiliteit[6] Dichtheid-Poriën-Waterberging[7] Infiltratie[8] Vochtgehalte[9] Dagtemperatuur Verslemping[10] Versmering/verdichting[11] Run-off en erosie[12] Micro-organismen[13] Schimmel/bacterie ratio[14] Nematoden[15] Regenwormen[16] Bewerkbaarheid - draagkracht[17] Ziekte- en plaagdruk[18] Onkruiddruk[19] Teeltkost - arbeidsefficiëntie[20] Gewasopbrengst[21]
  Toplaag (1) Ondergrond Toplaag (1) Toplaag (1) Ondergrond Korte termijn (2) Lange termijn   Toplaag (1) Korte termijn (2) Lange termijn     Toplaag (1)       Toplaag (1) Toplaag (1)       Korte termijn (2) Lange termijn      
Type bewerking - gewaardeerd tov ploegen 20-30 cm diep[22] x[23]               x[24] x[25]               x[26] x[27] x[28] x[29]            
NKG - tot ploegdiepte (20-30 cm diep)[30] +[31] -[32] [33] [34] [35] -[36] (+)[37] (+)[38] +[39] -[40] +[41] +[42] [43] [44] +[45] (+)[46] +[47] +[48] [49] (+)[50] ++[51] (+)[52] -[53] +[54] (-)[55] (+)[56] +-[57]
NKG - oppervlakkig (5-12 cm diep)[58] +[59] -[60] +[61] (+)[62] [63] +-[64] (+)[65] (+)[66] (-)[67]
Directzaai[68] +[69] -[70] ++[71] --[72] +[73] +[74] [75] (+)[76] +[77] -[78] +[79] (-)[80]
Mulching[81] ++[82] (+)[83] +-[84] [85]   +[86] +-[87] +[88] (+)[89] (+)[90] ++[91] [92] [93] ++[94] +[95] ++[96] ++[97] [98]   +[99] (+)[100] --[101] +-[102] (+)[103]    
      Na oogst Na oogst Na oogst   Lange termijn                              
Teelrotatie[104] x[105]   x[106] x[107] x[108] x[109] x[110] x[111]     x[112]   x[113] x[114] x[115] x[116] x[117] x[118] x[119] x[120]   x[121]
Monocultuur snijmaïs[122] (-)[123]   +-[124] -[125] -[126] (-)[127] (-)[128] (-)[129]     -[130] -[131] -[132] (-)[133] [134] (-)[135] (-)[136] (-)[137] -[138] -[139] +-[140] (-)[141]
Gevarieerde teeltrotatie[142] (+)[143]   (↗)[144] +[145] +[146] +[147] +[148] +[149]     +[150] +[151] +[152] +[153] +-[154] +[155] +[156] +[157] ++[158] +[159] +-[160] +[161]
Aardappelen/bieten in de teeltrotatie[162] (-)[163]   [164] (-)[165] +-[166] (-)[167] (-)[168] +-[169]     (-)[170] (-)[171] -[172] +-[173] [174] +-[175] -[176] (-)[177] +-[178] +-[179] (-)[180] +-[181]
Graangewassen in de teeltrotatie[182] (+)[183]   [184] (-)[185] +[186] +[187] +[188] +[189]     +[190] +[191] +[192] +[193] (↘)[194] (+)[195] +[196] +-[197] +-[198] +-[199]
(Tijdelijk) grasland in de teeltrotatie[200] ++[201]   [202] ++[203] (-)[204] +[205] +[206] +[207]     ++[208] +[209] ++[210] +[211] [212] (-)[213] +[214] +[215] +-[216] +[217] (+)[218]
  Toplaag (1) Ondergrond Toplaag (1) Na onderwerken Na onderwerken Tijdens groei       Toplaag (1) Ondergrond Toplaag (1)                 Nematoden Plaagdruk      
Groenbedekkers[219] +[220]   [221] (+)[222] +[223] +[224] +[225] +[226] [227] [228] [229] +[230] +[231] +[232] +[233] +-[234] +-[235] +[236] +-[237] +-[238] -[239] +-[240] +-[241] +-[242]
Grasachtige groenbedekker[243] ++[244] (+)[245]   [246] (+)[247] +[248] +[249] +[250] +[251] [252] +[253] +[254]   -[255] (+)[256] +-[257]
Bladrijke groenbedekker[258] +[259]   [260] (+)[261] ++[262] +[263] +[264] +[265] [266] +[267] +[268]   -[269] (+)[270] +-[271]
Vlinderbloemige groenbedekker[272] +[273] (+)[274]   [275] +[276] (+)[277] +[278] +[279] +[280] [281] +[282] +[283]   -[284] (+)[285] +-[286]
        Korte termijn (2) Lange termijn                                    
Bemestingsregime[287]                                 +-[288]            
Toepassing minerale mest[289] (+)[290] +-[291] [292] ++[293] -[294]   +-[295] +-[296]             +-[297] [298] +-[299] +-[300]   +-[301] -[302]   ++[303]
Toepassing dierlijke mest[304] +[305] +-[306] [307] +[308] +[309]   +[310] +[311]             ++[312] +-[313] +-[314] ++[315]   +[316] -[317]   ++[318]
Toepassing compost[319] ++[320] [321] [322] -[323]   ++[324] ++[325]             [326] +-[327] +[328]   ++[329] -[330]   ++[331]
(1) Tenzij expliciet anders aangegeven in de begeleidende tekst, wordt met "Toplaag" doorgaans verwezen naar de bovenste 5 à 15 cm van de bouwvoor. "Ondergrond" verwijst naar de zone onder die toplaag.
(2) De interpretatie van de termen korte en lange termijn is afhankelijk van de beschouwde bodemparameter, waarbij de korte termijn varieert tussen onmiddellijk effect en effect na 5 à 6 jaar. Dit wordt verduidelijkt in de begeleidende tekst.
  Voor meer duiding wordt naar het studierapport verwezen.

[1]
OC of organische koolstof is het aandeel (ongeveer 58%) van de organische stof dat uit koolstof bestaat. Onder organische stof wordt daarbij verstaan het organisch materiaal dat in de bodem werd afgebroken tot een onherkenbare materie (< 2mm). Hiertoe behoren micro-organismen en humus componenten.
Men spreekt van een
"gehalte" of concentratie als zijnde het gewichtspercentage organische koolstof in de bodem ten opzichte van het totale gewicht van een bepaalde bodemlaag.
Het gehalte mag niet verward worden met de
"voorraad", zijnde de totale massa organische koolstof per oppervlakte-eenheid (bv ton per ha), waarbij men de volledige dikte van de bodemlaag in rekening brengt.
Link: A.2.1.1
[2]
De pH geeft de zuurheid van de bodem weer. Merk op: een zure bodem heeft een lage pH, een basische bodem heeft een hoge pH.
Link: A.2.1.2
[3]
Mineralisatie is het proces waarbij organische verbindingen (gewasresten, plantenwortels, compost, dierlijke mest, organische stof) in of op de bodem door micro-organismen (bv. schimmels, bacteriën) worden omgezet in anorganische (minerale) verbindingen. Hierbij worden een aantal nutriënten (bv. stikstof, fosfor en zwavel) en koolstofdioxide (CO2) vrijgezet.
De dynamiek van koolstof- en stikstofmineralisatie is bijzonder complex, en wordt mede bepaald door weersomstandigheden en een brede waaier van bodemeigenschappen en -processen. Denk daarbij aan de bodemtemperatuur, het vochtgehalte en de toegankelijkheid tot organisch materiaal voor micro-organismen, lucht en water. Bij dit laatste speelt de hoeveelheid organisch materiaal, maar ook de stabiliteit van bodemaggregaten en aanwezigheid van kleine poriën een rol. Ook de kwaliteit en locatie van het organisch materiaal beïnvloeden de afbraaksnelheid.
Link: A.3.1.1
[4]
De beschikbaarheid van minerale stikstof (N) geeft aan in welke mate de stikstof aanwezig in de bodem effectief op te nemen is door het gewas.
Ze is grotendeels afhankelijk van de snelheid waarmee organische materie afgebroken wordt. Die afbraak of mineralisatie is afhankelijk van de samenstelling en stabiliteit van het materiaal, en gaat bv. langzamer verlopen wanneer de bodemtemperatuur lager is, organisch materiaal afgeschermd wordt door stabiele bodemaggregaten, of er veel koolstof is in verhouding tot stikstof. In dat laatste geval is de N in de bodem namelijk nodig voor de ontwikkeling van micro-organismen die de (relatief grotere proportie) organische koolstof moeten afbreken. Men spreekt dan van "biologische N-vastlegging" of "N-immobilisatie".

Link: A.2.1.5
[5]
Een teveel aan nitraat betekent dat niet alles opgenomen wordt door het gewas, en houdt daardoor een risico van uitspoeling in. Dit betekent dat het nitraat samen met het percolerende water in het grond- en oppervlaktewater terecht kan komen, wat een ernstige verontreiniging kan veroorzaken. Anderzijds kunnen nitraatverliezen ook optreden door oppervlakkige afspoeling, tijdens erosiefenomenen.
Link: A.3.2.2
[6]
Aggregaten zijn groepjes onderling gebonden bodemdeeltjes. De stabiliteit van deze aggregaten geeft de bestandheid van de bodemstructuur weer tegen mechanische of fysisch-chemische krachten (zoals neerslag, wind of bodembewerking), en wordt bepaald door de cohesiesterkte tussen de deeltjes.
Link: A.2.2.3
[7]
De bodemdichtheid of meer specifiek de "schijnbare bodemdichtheid" is de droge bodemmassa per volume-eenheid bodem in zijn onverstoorde toestand (dus inclusief het volume van de poriën). Het hangt sterk samen met het totale poriënvolume, zijnde het procentueel volume in de bodem dat ingenomen wordt door water en lucht. Hoe hoger de dichtheid wordt, des te kleiner het resterende poriënvolume.
Het poriënvolume bepaalt samen met de poriëngrootteverdeling grotendeels de mogelijke gasuitwisseling in de bodem en het waterbergend vermogen.
Link: A.2.2.4
[8]
De infiltratiecapaciteit van een bodem slaat op de mate waarin een bodem oppervlaktewater kan laten indringen en doorstromen.
Link: A.2.2.6
[9]
Het vochtgehalte geeft de hoeveelheid water (massa of volume) per  bodemhoeveelheid (massa of volume) weer.
Hoe hoger het vochtgehalte, hoe meer de gasuitwisseling beperkt wordt.
Link: A.2.2.7
[10]
Verslemping is het ineenvloeien van de grond aan het bodemoppervlak door de inslag van regendruppels bij overvloedige neerslag. Daarbij verstoppen de fijnere bodempartikels de poriën. Bij het uitdrogen van het papperig slemplaagje dat zo ontstaat, wordt een slempkorst gevormd. Deze is weinig doorlatend en gaat verdamping vanuit de bouwvoor in het voorjaar tegen. Door het zuurstofgebrek en de grote weerstand, wordt de kieming van het zaad belemmerd, en sterven de wortels van jonge gewassen af. De grond kan lang nat blijven en moeilijk bewerkbaar zijn. Vooral lichte kleigronden en leemgronden zijn gevoelig voor slemp.
Link: A.3.1.3
[11]
Versmering krijg je wanneer fijne grond te vochtig is als je die gaat bewerken. Hierbij wordt over een aanzienlijke oppervlakte in de bodem een bodemlaagje dichtgesmeerd, wat een ernstige vorm van beschadiging van bodemstructuur betekent. Het resultaat is  een beperking in de gasuitwisseling.
Link: A.3.1.3

Verdichting kan gedefinieerd worden als het fenomeen waarbij de bodem samengedrukt en vervormd wordt, waardoor de porositeit gaat dalen, gewoonlijk als gevolg van mechanische spanningen.
Link: A.3.1.4
[12]
Met run-off wordt verwezen naar de oppervlakkige afvoer van water, die ontstaat tijdens en vlak na een regenbui wanneer het water onvoldoende snel in de bodem kan infiltreren.
Bodemerosie is het proces waarbij bodemdeeltjes losgemaakt, opgenomen en getransporteerd worden door water, wind of een bewerking. Hier wordt specifiek gefocust op watererosie.
Link: A.3.2.1

[13]
Micro-organismen vormen de groep met de kleinste levende organismen in de bodem. Dit zijn bv. schimmels, bacteriën of protozoa.
Link: A.2.3
[14]
De schimmel/bacterie verhouding geeft de biomassa schimmels weer in verhouding tot de biomassa bacteriën. Ze kan een indicatie geven van de graad van verstoring van het bodemecosysteem.
Link: B.5.6
[15]
Nematoden of aaltjes vormen een groep van duizenden soorten levende organismen, waarvan een klein aantal ziekteverwekkend (pathogeen) kan zijn. Of een verandering positief dan wel negatief te noemen is, hangt dus af van de samenstelling van de nematodengemeenschap. Ze kunnen opgedeeld worden in verschillende functionele groepen, naargelang hun levens- en voedingsstrategie. Zo zijn er bv. schimmel-, bacterie- en zelfs nematoden-etende nematoden.

Link: A.2.3
[16]
Regenwormen behoren tot de macrofauna, en kunnen met het blote oog onderscheiden worden. Op basis van hun gedrag en morfologische kenmerken worden drie grote groepen onderscheiden: de strooiselwormen, de bodemwoelers en de diepgravers. Die laatsten worden ook pendelaars of Anekische wormen genoemd. Deze pendelaars zijn vanuit landbouwkundig standpunt de meest functionele soorten, niet in het minst met het oog op erosiebestrijding. Hun diepe, permanente verticale gangen fungeren daarbij als drainagekanalen bij hevige neerslag
Link: A.2.3
[17]
De geschiktheid van een bodem voor landbouwactiviteit wordt in grote mate beïnvloed door de bewerkbaarheid ervan. Draagkracht, erosiegevoeligheid, en technische uitvoerbaarheid spelen hierin een bepalende rol. De draagkracht of het draagvermogen wordt daarbij gedefinieerd als de weerstand die de bodem kan bieden aan uitgeoefende druk, en slaat dus op de mogelijkheid om op het gepaste moment de bodem te betreden, zonder grote of blijvende schade toe te brengen.
Link: A.6.1
[18]
Ziektes en plagen vormen een ernstige economische bedreiging binnen landbouwsystemen. Teelttechnische maatregelen kunnen op ziekte- en plaagdruk een grote invloed uitoefenen.
Link: A.6.3
[19]
Onkruiddruk vormt een ernstige economische bedreiging binnen landbouwsystemen. Naast rechtstreekse onkruidbestrijding, kunnen ook andere teelttechnische maatregelen  hier een grote invloed op uitoefenen. Binnen de biologische landbouw is dergelijke geïntegreerde benadering extra belangrijk.
Link: A.6.3 en C.5.2
[20]
Voor een economisch gunstig resultaat van de landbouwproductie, streeft men ondermeer naar een minimalisatie van de kosten. Aspecten die daarbij rechtstreeks gerelateerd zijn aan teelttechnische maatregelen, zijn ondermeer:
• Hoge brandstof- en arbeidsefficiëntie;
• Minimale input van meststoffen;
• Minimale input van gewasbeschermingsmiddelen.

Link: A.6.4

[21]
Voor een economisch gunstig resultaat van de landbouwproductie, streeft men naar een maximalisatie van de gewasopbrengst (biomassaproductie) met een hoge gewaskwaliteit, en een stabiele opbrengst jaar na jaar.
Link: A.6.4
[22]
De hier voorgestelde bewerkingstypes verwijzen naar de hoofdbewerking, maar maken elk deel uit van een ruimer bewerkingssysteem waarbinnen doorgaans ook zaaibedbereiding en zaaien/poten plaatsvinden.
Op de impact van zaaibedbereidingsmachines en zaaimachines wordt in deze tabel niet verder ingegaan, maar wordt verwezen naar C.1.9.4 in het geschreven rapport.
Link: C.1
[23]
Iedere vorm van bewerking leidt in meer of mindere mate tot een vernietiging van bodemaggregaten en zodoende tot een blootstelling van organische stof aan afbraak door mineralisatie. Anderzijds wordt met een bodembewerking vaak organisch materiaal in de bodem gebracht. De preciese impact is echter erg afhankelijk van de bewerkingsintensiteit, -diepte en mengingsgraad, en zodoende van de verticale verdeling van organisch materiaal in de bouwvoor.
Link: C.1.2.1
[24]
Iedere vorm van fysieke verstoring resulteert in een rechtstreekse vernietiging van bodemaggregaten, maar ook in een afbraak van organische stof en bodemleven, die een belangrijke rol spelen in de binding van bodemdeeltjes. Denk daarbij bv. aan de verbindingen die onstaan door de schimmeldraden, of de cementerende werking van stoffen afgescheiden door bacteriën en regenwormen.
Link: C.1.3.1
[25]
Het losmaken van de grond bij een bodembewerking dient vaak om de porositeit te verhogen en zodoende de lucht- en waterhuishouding te verbeteren. Deze mechanische structuurverbetering is echter van tijdelijke aard, en regelmatige herhaling is noodzakelijk om dit te onderhouden.
Link: C.1.3.1
[26]
Bodemfauna en -flora worden sterk beïnvloed door bodembewerking, vaak als gevolg van gewijzigde fysische en/of chemische bodemomstandigheden, en het daarmee samenhangende bodemklimaat.  Algemeen kan gesteld worden dat een vermindering van de intensiteit of frequentie van bodembewerking steeds een positieve bijdrage zal leveren aan de bodembiodiversiteit. De term "positief" dient hier echter genuanceerd te worden, aangezien naast functionele organismen ook ziekte- en plaagverwekkende soorten gestimuleerd kunnen worden...
Effecten zijn echter soortafhankelijk. De invloed van verstoring is doorgaans het grootst voor grotere soorten die zich minder makkelijk verplaatsen, of die in diepere bodemlagen niet kunnen overleven. Zo resulteert intensieve verstoring bv. in het stimuleren van bacteriën, en het benadelen van schimmels.
Link: C.1.4
[27]
Aangezien de invloed van verstoring doorgaans het sterkst is voor grotere soorten die makkelijker verwond raken en zich minder makkelijk verplaatsen, resulteert intensieve verstoring in het stimuleren van (de kleine en mobiele) bacteriën, en het benadelen van (de grotere en loggere) schimmels. De schimmel/bacterie ratio daalt dus.
Hoe minder intensief de verstoring daarentegen, des te groter het relatief voordeel voor schimmels.
Link: C.1.4.1
[28]
Tussen verschillende soorten nematoden bestaat een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities.
Het type bodembewerking en de daaruit voortvloeiende verandering in chemische, fysische en biologische bodemcondities heeft op die manier vermoedelijk vooral een
invloed op de samenstelling van de nematodenpopulatie, eerder dan een impact op het nematodenaantal.
Link: C.1.4
[29]
Met name grotere organismen blijken sterk gevoelig te zijn voor bodembewerking. Iedere vorm van mechanische verstoring heeft sowieso een directe impact op de bodemfauna door het fysiek doden, verwonden en blootstellen aan predatie tijdens de bewerking, en een indirecte impact door het vernietigen van hun habitat. Hoe intensiever en dieper die bewerking, hoe ernstiger de schade.
Link: C.1.4
[30]
NKG = niet-kerende grondbewerking, gedefinieerd als elk systeem waarbij het intensief keren of mengen van de grond wordt uitgesloten. In de praktijk komt dit min of meer overeen met ploegloos telen; in de Zuid-Limburgse (NL) erosieverordening wordt ook ploegen tot 12 cm diep als NKG beschouwd.
Bij bewerking tot ploegdiepte gebeurt dit bv. met een decompactor, tandcultivator of woeler.
Link: C.1.1 en C.1.9.4
[31]
Verwacht wordt dat het organisch koolstofgehalte onder niet-kerende grondbewerking (NKG) hoger zal zijn in de toplaag. Organisch materiaal (bv. onder de vorm van gewasresidu, groenbedekkers of bemesting) wordt bij NKG namelijk minder intensief ingewerkt, daar waar bij standaard ploegen de bouwvoor intensiever gemengd wordt en organisch materiaal aldus dieper en homogener ondergewerkt wordt.
Niet alleen de verdeling over de diepte, maar ook de mate van afbraak is verschillend bij NKG ten opzichte van ploegen. Uitgangspunt hier is dat een minder intensieve vorm van bewerking in mindere mate leidt tot een vernietiging van bodemaggregaten. De vorming en het behoud van macroaggregaten, de toegenomen activiteit van het bodemleven, en het stijgend aandeel kleine poriën onder NKG, spelen allen een rol in de opbouw en fysieke afscherming van bodem organische stof. Op die manier is er meer ruimte en tijd voor de omvorming tot stabiele organische stof.
De stijging van het organisch koolstofgehalte in de toplaag komt sterkst tot uiting in de snel afbreekbare fractie van de organische koolstof.
Link: C.1.2.1
[32]
Verwacht wordt dat het organisch koolstofgehalte onder niet-kerende grondbewerking (NKG) lager zal zijn in de diepere lagen. Organisch materiaal (bv. onder de vorm van gewasresidu, groenbedekkers of bemesting) wordt bij NKG namelijk minder intensief ingewerkt, daar waar bij standaard ploegen de bouwvoor intensiever gekeerd wordt en organisch materiaal aldus dieper en homogener ondergewerkt wordt.
Link: C.1.2.1
[33]
Hoewel verschillende studies tot contrasterende resultaten leiden, wordt vaak een lagere pH gemeten in de toplaag (0-5 cm) onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai. Hiervoor worden uiteenlopende verklaringen gegeven, waaronder het verzurend effect van de meer oppervlakkig aangebrachte stikstof- en fosforbemesting en daardoor sterk uitgesproken nitraatvorming in de toplaag. Een eenduidige interpretatie is echter moeilijk.
Link: C.1.2.2
[34]
De dynamiek van koolstof- en stikstofmineralisatie is bijzonder complex, en wordt mede bepaald door een brede waaier van bodemeigenschappen en -processen. Denk daarbij aan de bodemtemperatuur, het vochtgehalte en de toegankelijkheid tot organisch materiaal voor micro-organismen, lucht en water. Ook de kwaliteit en locatie van het organisch materiaal beïnvloeden de afbraaksnelheid.
In verschillende studies worden wat betreft het effect van bodembewerking erg contrasterende resultaten voorgesteld. Belangrijk voor een goede interpretatie is ondermeer het maken van een onderscheid tussen de
vlotheid waarmee materiaal mineraliseert (ondermeer afhankelijk van bodemklimaat, bodemstructuur en toegang tot het uitgangsmateriaal) en de absolute hoeveelheid mineralisatie (grotendeels bepaald door de hoeveelheid en kwaliteit van het organisch uitgangsmateriaal).
Daarnaast dient men te beseffen dat metingen onder gecontroleerde omstandigheden niet steeds een goed beeld geven over de veldomstandigheden.
Aangenomen wordt dat de
mineralisatie vaak moeizamer verloopt onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai, ondermeer door de gemiddeld lagere bodemtemperatuur en beperkte toegankelijkheid tot organisch materiaal. Toch wordt voor onze contreien onder NKG doorgaans een grotere totale hoeveelheid mineralisatie waargenomen in de toplaag (tot 5 à 10 cm diep). De grotere hoeveelheden organisch materiaal in de toplaag, en de geleidelijke opbouw van grotere percentages organische koolstof en stikstof, zou die sterkere mineralisatie voor een groot deel verklaren.

Link: C.1.5.1
[35]
De dynamiek van koolstof- en stikstofmineralisatie is bijzonder complex, en wordt mede bepaald door een brede waaier van bodemeigenschappen en -processen. Denk daarbij aan de bodemtemperatuur, het vochtgehalte en de toegankelijkheid tot organisch materiaal voor micro-organismen, lucht en water. Ook de kwaliteit en locatie van het organisch materiaal beïnvloeden de afbraaksnelheid.
In verschillende studies worden wat betreft het effect van bodembewerking erg contrasterende resultaten voorgesteld. Belangrijk voor een goede interpretatie is ondermeer het maken van een onderscheid tussen de
vlotheid waarmee materiaal mineraliseert (ondermeer afhankelijk van bodemklimaat, bodemstructuur en toegang tot het uitgangsmateriaal) en de absolute hoeveelheid mineralisatie (grotendeels bepaald door de hoeveelheid en kwaliteit van het organisch uitgangsmateriaal).
Daarnaast dient men te beseffen dat metingen onder gecontroleerde omstandigheden niet steeds een goed beeld geven over de veldomstandigheden.
Voor onze contreien wordt
onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai doorgaans een afname van de mineralisatiesnelheid waargenomen in de ondergrond (10-20 cm). Vermoedelijk speelt de fysieke afscherming van organische stof door de ontwikkeling van stabielere bodemaggregaten en het gereduceerde aandeel microporiën hier een grote rol.

Link: C.1.5.1
[36]
De beschikbaarheid van minerale stikstof (N) is grotendeels afhankelijk van de snelheid waarmee organische materie afgebroken wordt. Die afbraak of mineralisatie is afhankelijk van de samenstelling en stabiliteit van het materiaal, maar ook van de bodemcondities.
Hoewel het moeilijk is om hier algemene uitspraken over te doen, werken op die manier bepaalde effecten van niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai "vertragend": denk bv. aan de vaak lagere bodemtemperatuur, of de afscherming van organisch materiaal door stabiele bodemaggregaten. Bovendien ontstaat onder NKG of directzaai in de toplaag op korte termijn vaak een hogere koolstofhoeveelheid in verhouding tot stikstof (hogere C/N verhouding), en neemt de activiteit van micro-organismen toe. In dergelijk geval is de N in de bodem nodig voor de ontwikkeling van die micro-organismen die de (relatief grotere proportie) organische koolstof moeten afbreken, en is de N dus niet meer beschikbaar voor het gewas. Men spreekt dan van "biologische N-vastlegging" of "N-immobilisatie".
Dit alles samen resulteert
op korte termijn vaak in een verlaagde stikstofbeschikbaarheid en eventueel grotere N-bemestingsbehoefte.
Toch is dit effect is doorgaans slechts van tijdelijke aard.

Link: C.1.2.3

[37]
Ondanks de vaak verlaagde stikstofbeschikbaarheid (en eventueel grotere stikstofbemestingsbehoefte) op korte termijn, kan op lange termijn onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai net een toename in beschikbare stikstof (N) ontstaan. Een belangrijke reden hiervoor is het verminderd risico op N-verliezen door uitspoeling of erosie, als gevolg van de verbeterde bodemstructuur en stabiliteit. Verder wordt in de toplaag gaandeweg een grotere pool aan eenvoudig mineraliseerbare organische stikstof opgebouwd, dankzij de toenemende hoeveelheid organisch materiaal in die toplaag.
Het kan echter tot 20 jaar duren vooraleer daadwerkelijk minder N (en P) toediening nodig is.

Link: C.1.2.3
[38]
Nitraatverliezen kunnen optreden door run-off/erosie of door uitspoeling. Aangezien het risico op erosie sterk afneemt onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai, nemen ook de nitraatverliezen via die weg af.

Het risico op uitspoeling van nitraten onder een bepaald type bewerking hangt sterk samen met de snelheid van stikstofmineralisatie en de efficiëntie van stikstofgebruik.
In het merendeel van de gevallen wordt een
verminderde nitraatuitspoeling waargenomen onder NKG en directzaai.  De vaak tragere afbraak van organisch materiaal nabij het oppervlak, en het efficiënter stikstofgebruik (ondermeer door de toename in schimmel/bacterie verhouding) spelen hier vermoedelijk een belangrijke rol.
Daarnaast speelt ook het tijdstip van mineralisatie een belangrijke rol: het risico op nitraatuitspoeling is grootst tijdens de winter, zeker wanneer er geen gewas of groenbedekker op het veld staat om stikstof op te nemen. Net dan blijkt de mineralisatiesnelheid onder NKG of directzaai lager te zijn, wat opnieuw pleit voor een lager nitraatverlies.
Ondanks dit doorgaans positieve effect, dient men zich er ook bewust van te zijn dat de ontwikkeling van meer continue verticale poriën (dankzij het actiever bodemleven) onder NKG of directzaai drainage en zodoende uitspoeling in de hand kunnen werken.

Merk tenslotte op dat een groot deel van de bovenstaande redenering op veronderstellingen gebaseerd is. In vele studies wordt geen of nauwelijks effect van bewerkingstype op nitraatuitspoeling waargenomen.

Link: C.1.5.4
[39]
Iedere vorm van fysieke verstoring resulteert in een rechtstreekse vernietiging van bodemaggregaten, maar ook in een afbraak van organische stof en bodemleven, die een belangrijke rol spelen in de binding van bodemdeeltjes. Denk daarbij bv. aan de verbindingen die onstaan door de schimmeldraden, of de cementerende werking van stoffen afgescheiden door bacteriën en regenwormen.
Ten opzichte van standaard ploegen komt bij
niet-kerende grondbewerking (NKG) de aggregaatstabiliteit  minder in het gedrang, door de minder intensieve bodemverstoring. Vooral in de toplaag is die stabielere structuur merkbaar.
Link: C.1.3.1
[40]
Het minder intensief losmaken van de bodem onder niet-kerende grondbewerking in vergelijking met ploegen, resulteert op korte termijn in een geleidelijk verlies aan totale poriënruimte en zodoende een stijging van schijnbare bodemdichtheid binnen de diepte van de bouwvoor. Zie ook effecten op verdichting.
Link: C.1.3.2
[41]
Ondanks de afname van porositeit op korte termijn bij niet-kerende grondbewerking (NKG), kan de bodem in de toplaag luchtiger worden op lange termijn. Daar zijn meerdere redenen voor. Enerzijds leidt NKG vaak tot een betere beworteling, waardoor nieuwe poriën gecreërd worden. Anderzijds stijgt de activiteit van het bodemleven onder invloed van het toenemend organische stofgehalte. Bepaalde organismen, zoals regenwormen, creëren daarbij meer (verticaal georiënteerde) poriën. Dit alles leidt tot een daling van de schijnbare bodemdichtheid, en zodoende een betere beluchting en een hoger waterbergend vermogen.
In tegenstelling tot de mechanisch gevormde poriën die ontstaan door het losmaken van de grond onder intensieve bodembewerking, zijn de bioporiën gevormd onder gereduceerde bodembewerking doorgaans stabieler en sterker.
Link: C.1.3.2
[42]
De vaak hogere infiltratiesnelheid onder niet-kerende grondbewerking (NKG) is het resultaat van meerdere effecten. Zo leidt NKG vaak tot een betere beworteling, waardoor nieuwe poriën gecreërd worden. Bovendien stijgt de activiteit van het bodemleven onder invloed van het toenemend organische stofgehalte. Bepaalde organismen, zoals regenwormen, creëren daarbij grote poriën. Deze verticaal georiënteerde bioporiën garanderen een snelle waterinfiltratie. Tot slot speelt het behoud van gewasresidu nabij het bodemoppervlak een doorslaggevende rol: deze beschermt de toplaag tegen verslemping en korstvorming, en vormt een barrière tegen snelle afvoer door run-off. Hierdoor heeft het water meer tijd om te infiltreren.
De infiltratiesnelheid wordt verder ook bepaald door de mate van verdichting: hoewel onder NKG geen ploegzool gevormd wordt, is het risico op verdichting ook hier soms reël. Onder dergelijke omstandigheden neemt de infiltratiesnelheid natuurlijk snel af.
Merk verder op dat vlak na een intensieve bewerking zoals ploegen de infiltratiesnelheid tijdelijk hoger is, door het losmaken en beluchten van de bodem. Dit tijdelijk effect neemt echter snel af.
Link: C.1.3.3
[43]
De toename van het bodemvochtgehalte onder niet-kerende grondbewerking (NKG) is het resultaat van meerdere processen. Zo neemt onder NKG de infiltratie toe, ondermeer door de toename van het aantal (verticale) poriën. Verder daalt de run-off en zou ook de verdamping van water aan het bodemoppervlak (evaporatie) af kunnen nemen. Traditioneel ploegen brengt namelijk vochtige grond naar het oppervlak, waardoor vochtverlies door uitdroging versneld wordt. Ook de eventuele aanwezigheid van plantenresten nabij het oppervlak doet de evaporatie dalen. De samengang van deze processen zorgt voor een stijging van het bodemvochtgehalte, met name in de toplaag, waardoor meer water ter beschikking komt van de gewassen. Anderzijds leidt dit in onze streken vaak tot een moeilijkere bewerkbaarheid.
Link: C.1.3.4
[44]
Minder bodemverstoring betekent minder blootstelling van bodempartikels aan de lucht en dus minder snelle opdroging, opwarming en afkoeling. Ook het toegenomen vochtgehalte resulteert in een tragere opwarming en afkoeling. Daarom wordt verwacht dat dagtemperaturen in de toplaag onder directzaai of niet-kerende grondbewerking (NKG) beduidend lager kunnen zijn dan bij traditioneel ploegen. Het behoud van plantresidu speelt daarin een belangrijke rol. Onder ons gematigd klimaat resulteert die verlaging van de temperatuurspieken meestal in ongunstig koele bodems: de gewasopkomst kan vertragen en zodoende kan de opbrengst dalen, zeker bij voorjaarsvorst.
Link: C.1.3.5
[45]
Niet-kerende grondbewerking of directzaai resulteert in de toplaag gaandeweg in een toename van het organische stofgehalte en een actiever bodemleven. Die spelen een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes en dragen zodoende bij tot een verhoogde stabiliteit van de bodemaggregaten. Op die manier verhoogt de weerstand tegen verslemping. Nog belangrijker is de aanwezigheid van een bedekkende laag organisch materiaal nabij het oppervlak, die een rechtstreekse bescherming vormt tegen de inslag van regendruppels bij overvloedige neerslag. Zodoende neemt het risico op verslemping sterk af.
Link: C.1.5.2
[46]
In theorie zou het risico op verdichting onder niet-kerende grondbewerking (NKG) gradueel moeten afnemen ten opzichte van ploegen, zeker op langere termijn. Ploegen is dan wel een kortetermijnoplossing om de bodem los te maken, maar met NKG kan werk gemaakt worden van een sterkere bodem met een stabiele porositeit, dankzij de opbouw van organische stof en het actiever bodemleven. Toch komt verdichting onder NKG frequent voor, al zijn de risico's onder NKG tot ploegdiepte een pak kleiner dan onder oppervlakkige NKG of directzaai. Bij een té oppervlakkige bewerking ontstaat namelijk het gevaar dat een verdichting in de loop der jaren geleidelijk steeds toeneemt, aangezien ze niet meer opgeheven wordt door een regelmatige, intensievere bewerking.
In de praktijk zijn het vaak de bewerkingsomstandigheden eerder dan het type bodembewerking die doorslaggevend zullen zijn. Zo versmeert en verdicht een bodem die te nat bewerkt wordt altijd, zowel bij ploegen als bij NKG.
Om het risico onder een bepaald type bewerking correcter in te schatten, dient rekening gehouden te worden met ondermeer de bodemomstandigheden op het moment van bewerking, het aantal werkgangen, het type werktuig, en de diepte van bewerking.
Link: C.1.5.2
[47]
De toenemende activiteit van het bodemleven en de concentratie van organische stof in de toplaag van de bodem, leiden gaandeweg tot een stabielere bodemstructuur, een hogere weerstand tegen verslemping en verdichting, en doorgaans ook een verhoogde infiltratiecapaciteit door het ontstaan van stabiele bioporiën. Dit alles resulteert in een sterke reductie van run-off en erosie. Toch is het met name de aanwezigheid van organisch materiaal aan het oppervlak die de meest beschermende en doorslaggevende rol speelt in de erosiereducerende werking.
Link: C.1.5.3
[48]
Onder directzaai of niet-kerende grondbewerking (NKG) neemt de microbiële biomassa in omvang toe in de toplaag (5 tot 20 cm diep). Dit is grotendeels het gevolg van betere bodemfysische omstandigheden, een gunstig waterhoudend vermogen, minder extreme variaties in temperatuur en vochtgehalte, en een geleidelijke toename van organische koolstof in de toplaag. Meer nog dan het bewerkingstype, wordt de microbiële biomassa positief beïnvloed door het behoud van organisch materiaal (onder andere gewasresidu) op het veld.

Algemeen kan trouwens gesteld worden dat een vermindering van de intensiteit of frequentie van bodembewerking steeds een positieve bijdrage zal leveren aan de bodembiodiversiteit. De term "positief" dient hier echter genuanceerd te worden, aangezien naast functionele organismen ook ziekte- en plaagverwekkende soorten gestimuleerd kunnen worden...
Effecten zijn verder soortafhankelijk. De invloed van verstoring is doorgaans het grootst voor grotere soorten die zich minder makkelijk verplaatsen, of die in diepere bodemlagen niet kunnen overleven. Zo resulteert intensieve verstoring bv. in het stimuleren van bacteriën, en het benadelen van schimmels.

Link: C.1.4
[49]
Aangezien de invloed van verstoring doorgaans het sterkst is voor grotere soorten die makkelijker verwond raken en zich minder makkelijk verplaatsen, resulteert intensieve verstoring in het stimuleren van (de kleine en mobiele) bacteriën, en het benadelen van (de grotere en loggere) schimmels.
Een
gereduceerde bodembewerking (zoals niet-kerende grondbewerking of directzaai) zal daarentegen beide groepen stimuleren. Desalniettemin is het voordeel vaak relatief groter voor de schimmels, met een stijgende schimmel/bacterieverhouding tot gevolg. Het is belangrijk op te merken dat die stijging voornamelijk plaatsvindt in het gewasresidu, en dus nabij het bodemoppervlak (0-10 cm).
Link: C.1.4.1
[50]
Hoewel enkel studies melding maken van een globale toename van nematoden (aaltjes), veroorzaakt een omschakeling naar niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai vermoedelijk vooral een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities; omstandigheden die door het type bewerking beïnvloed zullen worden.
Eén bewering is dat onder gereduceerde bodembewerking met behoud van gewasresten het aandeel vrijlevende (gunstige) nematoden zou stijgen, maar algemeen kan men concluderen dat er op heden onvoldoende data zijn om een betrouwbare voorspelling te maken.
Link: C.1.4
[51]
Met name grotere organismen blijken sterk gevoelig te zijn voor bodembewerking. Iedere vorm van mechanische verstoring heeft sowieso een directe impact op de bodemfauna door het fysiek doden, verwonden en blootstellen aan predatie tijdens de bewerking, en een indirecte impact door het vernietigen van hun habitat. Hoe intensiever en dieper die bewerking, hoe ernstiger de schade.
Onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai zijn regenwormen reeds
op korte termijn (1 tot enkele jaren) talrijker en actiever, dankzij de aanwezigheid van een beschermende laag, meer bodemvocht, een hoger voedselaanbod (gewasresten) en minder vernieling van gangen. In een aantal proeven wordt deze bevinding genuanceerd, en geeft men aan dat er geen grote verschillen zijn in totale hoeveelheid wormen, maar wel in totale biomassa en soortensamenstelling.
Op basis van hun gedrag en morfologische kenmerken worden drie grote groepen wormen onderscheiden: de strooiselwormen, de bodemwoelers en de diepgravers. Het positief effect van omschakeling naar gereduceerde bodembewerking is daarbij relatief grootst voor de diepgravende soorten (ook pendelaars of Anekische wormen genoemd), en met name voor
Lumbricus terrestris. Deze pendelaars zijn vanuit landbouwkundig standpunt de meest functionele soorten, niet in het minst met het oog op erosiebestrijding. Hun diepe, permanente verticale gangen fungeren daarbij als drainagekanalen bij hevige neerslag.
Link: C.1.4
[52]
Bewerkbaarheid wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid, en technische uitvoerbaarheid.
1.
De effecten van niet-kerende grondbewerking (NKG) op reductie van run-off en erosie zijn positief, zeker bij behoud van het gewasresidu (zie de daartoe voorziene cellen).
2.
De praktische uitvoerbaarheid is vaak echter minder vanzelfsprekend dan bij ploegen. Denk daarbij bv. aan de minder homogene bodemcondities, het groter risico op slip van de trekkerwielen onder natte omstandigheden, of het verstoppen van werktuigen door gewasresten.
3. De
impact van gereduceerde bodembewerking op de draagkracht van de bodem is doorgaans positief op langere termijn. De bodemsterkte neemt namelijk gaandeweg toe, vooral dankzij de hogere aggregaatstabiliteit, het actiever bodemleven, en de stabielere structuur en porositeit. Toch kan de draagkracht van de bodem onder NKG tijdelijk in het gedrang komen. Net als bij ploegen, is neemt de draagkracht snel of onder te natte omstandigheden, waarbij het risico op verdichting stijgt. Dit risico is grootst bij te vroeg berijden in het voorjaar en te laat in het najaar. Onder NKG droogt een bodem bovendien vaak minder snel op. Zodoende is het tijdstip waarop NKG uitgevoerd zou moeten worden vaak moeilijk te verenigen met de praktijk. Veel is afhankelijk van het bodemtype en de keuze voor een geschikt werktuig en geschikt materiaal.
Link: C.1.6.1
[53]
Op korte termijn is ploegen effectiever om de ziekte- en plaagdruk te reduceren, omdat pathogenen en plaagverwekkers zelf, maar ook van hun voedsel (organisch materiaal onder de vorm van gewasresidu, op een efficiënte manier ondergewerkt worden. Ook hun habitat wordt door een intensief kerende bodembewerking grondig verstoord. In die optiek kan op korte termijn onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai ziekte- en plaagdruk toenemen. Vooral het behoud van organisch materiaal op of vlak onder het bodemoppervlak speelt daarbij een doorslaggevende rol. Het functioneert niet alleen als voedselbron, maar creëert ook gunstige groeiomstandigheden voor een aantal pathogenen, zoals een koeler en vochtiger bodemoppervlak. Op die manier wordt voor ziektes en plagen een overbrugging tussen twee gewassen mogelijk gemaakt.
De meest voorkomende pathogenen geassocieerd met NKG en directzaai zijn
Pythium, Fusarium en Rhizoctonia. Wat plagen betreft, vormen slakken en muizen de grootste bedreiging. Daarnaast merkt men ook meer overlast van bv. ritnaalden, emelten en aardrupsen.
Merk echter op dat weersomstandigheden en andere teeltmaatregelen vaak meer doorslaggevend zijn dan bewerking. Denk daarbij bv. aan de toepassing van resistente gewassen en een uitgekiende en voldoende ruime teeltrotatie.
Link: C.1.6.3
[54]
Een traditionele ploegbewerking onderdrukt niet alleen ziekte- en plaagverwekkende organismen, maar ondermijnt op lange termijn ook het gehele (functionele) bodemleven. Onder niet-kerende grondbewerking (NKG) of directzaai daarentegen is het risico op ziektes en plagen op korte termijn dan wel groter, maar neemt ook de activiteit van gunstige organismen gaandeweg toe, waardoor verondersteld wordt dat de natuurlijke ziekte- en plaagwerendheid stijgt.
Een "ziekte- of plaagwerende bodem" kan daarbij gedefinieerd worden als een bodem waarin het voorkomen en de ernst van ziektes/plagen heel beperkt blijft, zelfs wanneer pathogenen en plaagverwekkers effectief aanwezig zijn. Zoiets is mogelijk wanneer gunstige organismen pathogenen en plagen onderdrukken, bv. door competitie voor ruimte, water en nutriënten, door het afscheiden van toxische stoffen, of door rechtstreekse predatie (het opeten van de pathogenen/plagen). Onze kennis op dit vlak staat nog in de kinderschoenen, en de eventuele verschillen tussen varianten van gereduceerde bodembewerking zijn nog onvoldoende in kaart gebracht.
Link: C.1.6.3
[55]
Traditioneel ploegen resulteert in een effectieve vernietiging van onkruiden die op het veld staan, het verticaal onderwerken van onkruidzaden of wortelstokken, en een doorgaans goede uitvoerbaarheid van chemische of mechanische onkruidbestrijding. Onder niet-kerende grondbewerking (NKG) daarentegen wordt onkruidbeheersing een pak moeilijker.
Hierdoor ontstaat doorgaans een verhoogde onkruiddruk bij omschakeling. Het zijn vooral grassen en (moeilijker beheersbare) wortelonkruiden die in toenemende mate voor problemen kunnen zorgen, met name nabij de perceelsranden.
Toch wijzen niet alle resultaten in dezelfde richting. Er zijn ook ervaringen met een hogere onkruiddruk onder ploegen, bijvoorbeeld wanneer ondergewerkte gewasresten van aardappelen opslag geven na de winter, daar waar de gewasresten die onder NKG aan het oppervlak blijven kapotvriezen. Vaak spreekt men ook van een verschuiving in soorten eerder dan van een hoger totaal aantal onkruiden. Veel hangt af van het tijdstip, weersomstandigheden, de exacte manier waarop een bodembewerking wordt uitgevoerd, en andere teelttechnische maatregelen. Onder monocultuur worden meer problemen verwacht dan in een gevarieerde teeltrotatie.
Link: C.1.6.3
[56]
De ervaringen rond de impact van bodembewerking op teeltkost zijn erg uiteenlopend, en veel is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en werktuigen.
Bij teeltkosten kan men in eerste instantie aan
brandstofverbruik denken. Een besparing op het brandstofverbruik kan met name bewerkstelligd worden door (1) een reductie in trekkrachtvereisten en dus brandstofverbruik per werkgang, of (2) het uitsparen van één of meerdere werkgangen. Omdat de trekkrachtvereisten voor een niet-kerende grondbewerking (NKG) doorgaans kleiner zijn dan voor ploegen, bestaat effectief de kans dat aan het eerste criterium voldaan wordt. Of gereduceerde bodembewerking ook effectief werkgangen uitspaart, is een veel complexere vraag. Zeker voor diepere NKG is dit weinig vanzelfsprekend.
Bovendien zijn vaak een aantal extra werkgangen nodig bij NKG zoals voor het onderwerken van groenbedekkers of organische mest, daar waar het kerend inwerken van de groenbedekker of de mest automatisch gebeurt tijdens het ploegen. Men kan daarom concluderen dat in de praktijk het brandstofverbruik regelmatig ook hoger ligt onder NKG.
Het eindresultaat zal dus ondermeer afhangen van de termijn waaronder een bodem reeds onder NKG ligt, het aantal benodigde werkgangen over de hele rotatie bekeken (dus inclusief de groenbedekkers), en de bewerkingsomstandigheden. Globaal kan men concluderen dat de effecten erg variabel en relatief beperkt zijn.
Tot slot: de brandstofefficiëntie wordt voor een groot aandeel bepaald door het rijgedrag van de bestuurder, correct gebruik van frontgewichten, en aangepast gebruik van bandentype, -breedte en –spanning.
Link: C.1.6.4
[57]
Omdat het effect van bodembewerking op de uiteindelijke gewasopbrengst wordt bepaald door een heel brede waaier aan effecten op de bodem, is het niet meer dan logisch dat de resultaten van verschillende studies en ervaringen vaak contrasterend zijn. Samenvattend kan echter worden gesteld dat de gewasopbrengsten bij ploegen en niet-kerende grondbewerking (NKG) voor de meeste gewassen van eenzelfde grootteorde zijn, zeker op langere termijn en in teeltrotatie. Dat blijkt ook uit heel wat proefveldmetingen uitgevoerd binnen het projectgebied. Op kortere termijn wordt regelmatig een lichte daling van de opbrengst onder NKG ten opzichte van ploegen vastgesteld (gemiddelde 4,5 %), aangezien de bodem tijd nodig heeft om tot een nieuw evenwicht te komen.
Of de uiteindelijke balans positief zal zijn, is ook afhankelijk van de specifieke situatie en het gewas, en wordt mee bepaald door de exacte methode waarop een bewerking wordt uitgevoerd. Niet alleen de biomassa maar ook de kwaliteit van het eindproduct is van belang. Soms wordt bv. melding gemaakt van kwaliteitsproblemen bij aardappelen en suikerbieten, maar dit hangt af van de omstandigheden. Zo worden bij bieten problemen met wortelvertakking verwacht wanneer men de bodem onvoldoende diep losmaakt, het vochtgehalte op het moment van losbreken te hoog is of anderzijds te droog, of de afstand tussen twee tanden op een cultivator te groot is.
Link: C.1.6.4

[58]
NKG = niet-kerende grondbewerking, gedefinieerd als elk systeem waarbij het intensief keren of mengen van de grond wordt uitgesloten. In de praktijk komt dit min of meer overeen met ploegloos telen; in de Zuid-Limburgse (NL) erosieverordening wordt ook ploegen tot 12 cm diep als NKG beschouwd.
Ondiepe NKG (te vergelijken met een zaaibedbereiding) gebeurt bv. met een schijveneg  of rotorkopeg.
Link: C.1.1 en C.1.9.4
[59]
Iedere vorm van fysieke verstoring resulteert in een rechtstreekse vernietiging van bodemaggregaten, maar ook in een afbraak van organische stof en bodemleven, die een belangrijke rol spelen in de binding van bodemdeeltjes. Denk daarbij bv. aan de verbindingen die onstaan door de schimmeldraden, of de cementerende werking van stoffen afgescheiden door bacteriën en regenwormen.
Ten opzichte van standaard ploegen komt bij
ondiepe niet-kerende grondbewerking (NKG) de aggregaatstabiliteit echter minder in het gedrang, door de minder diepe en minder intensieve bodemverstoring. Merk op dat wellicht ook ondiep ploegen de aggregaatstabiliteit ten goede komt, door de minder diepe bodemverstoring.
Link: C.1.3.1
[60]
Het minder intensief losmaken van de bodem onder niet-kerende grondbewerking (NKG) in vergelijking met ploegen, resulteert op korte termijn in een geleidelijk verlies aan totale poriënruimte en zodoende een stijging van schijnbare bodemdichtheid. Voor ondiepe NKG is dit effect nog sterker uitgesproken, en ligt de bodem er doorgaans nog iets compacter bij dan bij diepere NKG. Zie ook effecten op verdichting.
Link: C.1.3.2
[61]
Ondanks de afname van porositeit op korte termijn bij een niet-kerende grondbewerking (NKG), kan de bodem in de toplaag luchtiger worden op lange termijn. Daar zijn meerdere redenen voor. Enerzijds leidt NKG vaak tot een betere beworteling, waardoor nieuwe poriën gecreërd worden. Anderzijds stijgt de activiteit van het bodemleven onder invloed van het toenemend organische stofgehalte. Bepaalde organismen, zoals regenwormen, creëren daarbij meer (verticaal georiënteerde) poriën. Dit alles leidt tot een daling van de schijnbare bodemdichtheid, en zodoende een betere beluchting en een hoger waterbergend vermogen.
Toch leert de praktijkervaring dat de bodem onder ondiepe NKG er doorgaans iets compacter bij ligt dan onder diepere NKG.
In tegenstelling tot de mechanisch gevormde poriën die ontstaan door het losmaken van de grond onder intensieve bodembewerking, zijn de bioporiën gevormd onder gereduceerde bodembewerking doorgaans stabieler en sterker.
Link: C.1.3.2
[62]
De vaak hogere infiltratiesnelheid onder niet-kerende grondbewerking (NKG) is het resultaat van meerdere effecten. Zo leidt NKG vaak tot een betere beworteling, waardoor nieuwe poriën gecreërd worden. Bovendien stijgt de activiteit van het bodemleven onder invloed van het toenemend organische stofgehalte. Bepaalde organismen, zoals regenwormen, creëren daarbij grote poriën. Deze verticaal georiënteerde bioporiën garanderen een snelle waterinfiltratie. Tot slot speelt het behoud van gewasresidu nabij het bodemoppervlak een doorslaggevende rol: deze beschermt de toplaag tegen verslemping en korstvorming, en vormt een barrière tegen snelle afvoer door run-off. Hierdoor heeft het water meer tijd om te infiltreren.
De infiltratiesnelheid wordt verder ook bepaald door de mate van verdichting. Hoewel onder NKG geen ploegzool gevormd wordt, is de bodem hier
soms vrij compact, met name op kortere termijn en onder ondiepe NKG. Onder dergelijke omstandigheden neemt de infiltratiesnelheid natuurlijk snel af.
Merk verder op dat vlak na een intensieve bewerking zoals ploegen de infiltratiesnelheid tijdelijk hoger is, door het losmaken en beluchten van de bodem. Dit tijdelijk effect neemt echter snel af.

Link: C.1.3.3
[63]
De toename van het bodemvochtgehalte onder niet-kerende grondbewerking (NKG) is het resultaat van meerdere processen. Zo neemt onder ondiepe NKG de infiltratie toe, ondermeer door de toename van het aantal (verticale) poriën (zij het minder uitgesproken dan onder diepere NKG). Verder daalt de run-off en zou ook de verdamping van water aan het bodemoppervlak (evaporatie) af kunnen nemen. Traditioneel ploegen brengt namelijk vochtige grond naar het oppervlak, waardoor vochtverlies door uitdroging versneld wordt. Ook de eventuele aanwezigheid van plantenresten nabij het oppervlak doet de evaporatie dalen. De samengang van deze processen zorgt voor een stijging van het bodemvochtgehalte, met name in de toplaag, waardoor meer water ter beschikking komt van de gewassen. Anderzijds leidt dit in onze streken vaak tot een moeilijkere bewerkbaarheid.
Link: C.1.3.4
[64]
In theorie zou het risico op verdichting onder niet-kerende grondbewerking (NKG) gradueel moeten afnemen ten opzichte van ploegen, zeker op langere termijn. Ploegen is dan wel een kortetermijnoplossing om de bodem los te maken, maar met NKG kan werk gemaakt worden van een sterkere bodem met een stabiele porositeit, dankzij de opbouw van organische stof en het actiever bodemleven. Toch komt verdichting onder ondiepe NKG frequent voor, soms zelf in heviger mate dan onder ploegen. Bij een té oppervlakkige bewerking ontstaat namelijk het gevaar dat een verdichting in de loop der jaren geleidelijk steeds toeneemt, aangezien ze niet meer opgeheven wordt door een regelmatige, intensievere bewerking.
In de praktijk zijn het vaak de bewerkingsomstandigheden eerder dan het type bodembewerking die doorslaggevend zullen zijn: zo versmeert en verdicht een bodem die te nat bewerkt wordt altijd: zowel bij ploegen als bij NKG.
Om het risico onder een bepaald type bewerking correcter in te schatten, dient daarom rekening gehouden te worden met ondermeer de bodemomstandigheden op het moment van bewerking, het aantal werkgangen, het type werktuig, en de diepte van bewerking.
Hoewel de bodem op termijn "sterker" wordt, wordt het risico op (ondiepe) verdichting groter naarmate de bewerking minder diep gebeurt: de nattere grond droogt minder snel op en verdichting die zich in de loop der tijd gradueel opbouwt, wordt niet meer regelmatig opgeheven.
Link: C.1.5.2
 
[65]
Bewerkbaarheid wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid, en technische uitvoerbaarheid.
1.
De effecten van niet-kerende grondbewerking (NKG) op reductie van run-off en erosie zijn positief, zeker bij behoud van het gewasresidu (zie de daartoe voorziene cellen).
2.
De praktische uitvoerbaarheid is vaak echter minder vanzelfsprekend dan bij ploegen. Denk daarbij bv. aan de minder homogene bodemcondities, het groter risico op slip van de trekkerwielen onder natte omstandigheden, of het verstoppen van werktuigen door gewasresten.
3. De
impact van gereduceerde bodembewerking op de draagkracht van de bodem is doorgaans positief op langere termijn. De bodemsterkte neemt namelijk gaandeweg toe, vooral dankzij de hogere aggregaatstabiliteit, het actiever bodemleven, en de stabielere structuur en porositeit. Toch kan de draagkracht van de bodem onder NKG tijdelijk in het gedrang komen. Net als bij ploegen, is dit vaak het geval onder te natte omstandigheden, waarbij het risico op verdichting stijgt. Dit risico neemt wellicht toe naarmate de bewerking minder diep gebeurt, en is grootst bij te vroeg berijden in het voorjaar en te laat in het najaar. Onder NKG droogt een bodem bovendien vaak minder snel op. Zodoende is het tijdstip waarop NKG uitgevoerd zou moeten worden vaak moeilijk te verenigen met de praktijk. Veel is afhankelijk van het bodemtype en de keuze voor een geschikt werktuig en geschikt materiaal.
Link: C.1.6.1
[66]
De ervaringen rond de impact van bodembewerking op teeltkost zijn erg uiteenlopend, en veel is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en werktuigen.
Bij teeltkosten kan men in eerste instantie aan
brandstofverbruik denken. Een besparing op het brandstofverbruik kan met name bewerkstelligd worden door (1) een reductie in trekkrachtvereisten en dus brandstofverbruik per werkgang, of (2) het uitsparen van één of meerdere werkgangen. Omdat de trekkrachtvereisten voor een niet-kerende grondbewerking (NKG) doorgaans kleiner zijn dan voor ploegen, met name bij een meer oppervlakkige bewerking, bestaat effectief de kans dat aan het eerste criterium voldaan wordt. Of gereduceerde bodembewerking ook effectief werkgangen uitspaart, is een veel complexere vraag. Voor directzaai of een niet-kerende grondbewerking onder de vorm van een oppervlakkige zaaibedbereiding, kan doorgaans minstens één werkgang uitgespaard worden door het achterwege laten of combineren van werkgangen. Voor diepere NKG wordt dit al minder vanzelfsprekend.
Bovendien zijn vaak een aantal extra werkgangen nodig bij NKG zoals voor het onderwerken van groenbedekkers of organische mest, daar waar het kerend inwerken van de groenbedekker of de mest automatisch gebeurt tijdens het ploegen. Men kan daarom concluderen dat in de praktijk het brandstofverbruik regelmatig ook hoger ligt onder NKG.
Het eindresultaat zal dus ondermeer afhangen van de termijn waaronder een bodem reeds onder NKG ligt, het aantal benodigde werkgangen over de hele rotatie bekeken (dus inclusief de groenbedekkers), en de bewerkingsomstandigheden. Globaal kan men concluderen dat de effecten erg variabel en relatief beperkt zijn.
Tot slot: de brandstofefficiëntie wordt voor een groot aandeel bepaald door het rijgedrag van de bestuurder, correct gebruik van frontgewichten, en aangepast gebruik van bandentype, -breedte en –spanning.
Link: C.1.6.4
[67]
Omdat het effect van bodembewerking op de uiteindelijke gewasopbrengst wordt bepaald door een heel brede waaier aan effecten op de bodem, is het niet meer dan logisch dat de resultaten van verschillende studies en ervaringen vaak contrasterend zijn. Samenvattend kan echter worden gesteld dat de gewasopbrengsten bij ploegen en niet-kerende grondbewerking (NKG) voor de meeste gewassen van eenzelfde grootteorde zijn, zeker op langere termijn en in teeltrotatie. Dat blijkt ook uit heel wat proefveldmetingen uitgevoerd binnen het projectgebied. Echter, hoe minder intensief (diep) de bewerking, des te groter het risico op opbrengstderving.
Ook op kortere termijn wordt regelmatig een lichte daling van de opbrengst onder NKG ten opzichte van ploegen vastgesteld, aangezien de bodem tijd nodig heeft om tot een nieuw evenwicht te komen.
Of de uiteindelijke balans positief zal zijn, is ook afhankelijk van de specifieke situatie en het gewas, en wordt mee bepaald door de exacte methode waarop een bewerking wordt uitgevoerd. Niet alleen de biomassa maar ook de kwaliteit van het eindproduct is van belang. Soms wordt bv. melding gemaakt van kwaliteitsproblemen bij aardappelen en suikerbieten, maar dit hangt af van de omstandigheden. Zo worden bij bieten problemen met wortelvertakking verwacht wanneer men de bodem onvoldoende diep losmaakt, het vochtgehalte op het moment van losbreken te hoog is of anderzijds te droog, of de afstand tussen twee tanden op een cultivator te groot is.
Link: C.1.6.4

[68]
Directe inzaai of directzaai is de methode waarbij het hoofdgewas wordt ingezaaid in de gewasresten van de vorige teelt of van een doodgevroren of doodgespoten groenbedekker, zonder dat de gewasresten worden ondergewerkt. De gewasresten blijven hierbij doorgaans gedurende de opkomst van het nieuwe hoofdgewas ongestoord boven op de grond liggen.
Link: C.1.1
[69]
Verwacht wordt dat het organisch koolstofgehalte onder directzaai hoger zal zijn in de toplaag. Organisch materiaal (bv. onder de vorm van gewasresidu, groenbedekkers of bemesting) wordt bij directzaai namelijk niet ingewerkt, daar waar bij standaard ploegen de bouwvoor intensief gekeerd wordt en organisch materiaal aldus diep en homogeen ondergewerkt wordt.
Niet alleen de verdeling over de diepte, maar ook de mate van afbraak is verschillend ten opzichte van ploegen. Uitgangspunt hier is dat minder bewerking leidt tot minder vernietiging van bodemaggregaten. De vorming en het behoud van macroaggregaten, de toegenomen activiteit van het bodemleven, en het stijgend aandeel kleine poriën onder directzaai, spelen allen een rol in de opbouw en fysieke afscherming van bodem organische stof. Op die manier is er meer ruimte en tijd voor de omvorming tot stabiele organische stof.
Deze stijging komt sterkst tot uiting in de snel afbreekbare fractie van de organische koolstof.
Link: C.1.2.1
[70]
Verwacht wordt dat het organisch koolstofgehalte onder directzaai lager zal zijn in de ondergrond. Organisch materiaal (bv. onder de vorm van gewasresidu, groenbedekkers of bemesting) wordt bij directzaai namelijk niet ingewerkt, daar waar bij standaard ploegen de bouwvoor intensiever gekeerd wordt en organisch materiaal aldus diep en homogeen ondergewerkt wordt.
Link: C.1.2.1
[71]
Iedere vorm van fysieke verstoring resulteert in een rechtstreekse vernietiging van bodemaggregaten, maar ook in een afbraak van organische stof en bodemleven, die een belangrijke rol spelen in de binding van bodemdeeltjes. Denk daarbij bv. aan de verbindingen die onstaan door de schimmeldraden, of de cementerende werking van stoffen afgescheiden door bacteriën en regenwormen.
Ten opzichte van standaard ploegen komt bij
directzaai de aggregaatstabiliteit hierdoor veel minder in het gedrang, door de afwezigheid van diepe en intensieve bodemverstoring.
Link: C.1.3.1
[72]
Het achterwege blijven van bodembewerking onder directzaai, resulteert op korte termijn in een geleidelijk verlies aan totale poriënruimte en zodoende een stijging van schijnbare bodemdichtheid binnen de diepte van de bouwvoor. Zie ook effecten op verdichting.
Link: C.1.3.2
[73]
Ondanks de afname van porositeit op korte termijn bij directzaai, kan de bodem in de toplaag luchtiger worden op lange termijn. Daar zijn meerdere redenen voor. Enerzijds leidt directzaai op termijn vaak tot een betere beworteling, waardoor nieuwe poriën gecreërd worden. Anderzijds stijgt de activiteit van het bodemleven onder invloed van het toenemend organische stofgehalte. Bepaalde organismen, zoals regenwormen, creëren daarbij meer (verticaal georiënteerde) poriën. Dit alles leidt tot een daling van de schijnbare bodemdichtheid, en zodoende een betere beluchting en een hoger waterbergend vermogen.
Hoewel de effecten vergelijkbaar zijn, leert de praktijkervaring dat de bodem
onder directzaai er vaak iets compacter bij ligt dan onder NKG.
In tegenstelling tot de mechanisch gevormde poriën die ontstaan door het losmaken van de grond onder intensieve bodembewerking, zijn de bioporiën gevormd onder gereduceerde bodembewerking doorgaans stabieler en sterker.
Link: C.1.3.2
[74]
De vaak hogere infiltratiesnelheid onder directzaai is het resultaat van meerdere effecten. Zo leidt directzaai vaak tot een betere beworteling, waardoor nieuwe poriën gecreërd worden. Bovendien stijgt de activiteit van het bodemleven onder invloed van het toenemend organische stofgehalte. Bepaalde organismen, zoals regenwormen, creëren daarbij grote poriën. Deze verticaal georiënteerde bioporiën garanderen een snelle waterinfiltratie. Tot slot speelt het behoud van gewasresidu nabij het bodemoppervlak een doorslaggevende rol: deze beschermt de toplaag tegen verslemping en korstvorming, en vormt een barrière tegen snelle afvoer door run-off. Hierdoor heeft het water meer tijd om te infiltreren.
De infiltratiesnelheid wordt verder ook bepaald door de mate van verdichting: hoewel onder directzaai geen ploegzool gevormd wordt, is het risico op verdichting ook hier soms reël. Onder dergelijke omstandigheden neemt de infiltratiesnelheid natuurlijk snel af.
Merk verder op dat vlak na een intensieve bewerking zoals ploegen de infiltratiesnelheid tijdelijk hoger is, door het losmaken en beluchten van de bodem. Dit tijdelijk effect neemt echter snel af.
Link: C.1.3.3
[75]
De toename van het bodemvochtgehalte onder directzaai is het resultaat van meerdere processen. Zo neemt bij directzaai de infiltratie toe, ondermeer door de toename van het aantal (verticale) poriën. Verder daalt de run-off en kan ook de verdamping van water aan het bodemoppervlak (evaporatie) afnemen. Traditioneel ploegen brengt namelijk vochtige grond naar het oppervlak, waardoor vochtverlies door uitdroging versneld wordt. Ook de aanwezigheid van plantenresten nabij het oppervlak doet de evaporatie dalen. De samengang van deze processen zorgt voor een stijging van het bodemvochtgehalte, met name in de toplaag, waardoor meer water ter beschikking komt van de gewassen. Anderzijds leidt dit in onze streken vaak tot een moeilijkere bewerkbaarheid.
Link: C.1.3.4
[76]
In theorie zou het risico op verdichting onder directzaai gradueel moeten afnemen ten opzichte van ploegen, zeker op langere termijn. Ploegen is dan wel een kortetermijnoplossing om de bodem los te maken, maar met directzaai kan werk gemaakt worden van een sterkere bodem met een stabiele porositeit, dankzij de opbouw van organische stof en het actiever bodemleven. Bovendien wordt geen ploegzool gevormd.
Toch komt (vaak ondiepe) verdichting ook bij directzaai voor. Tijdens andere werkgangen, zoals een zaaibedbereiding of bemesting, wordt de bodem namelijk toch betreden, en bestaat het gevaar dat de bodem geleidelijk aan steeds verder gaat verdichten, aangezien ze niet meer opgeheven wordt door regelmatige bewerking. Daarbij zijn in de praktijk vooral de bodemomstandigheden eerder dan het type bodembewerking doorslaggevend. De bodem kan dan wel sterker worden en het risico op verdichting ook kleiner door het beperken van het aantal werkgangen bij directzaai, maar het minder snel opdrogen van nattere grond kan bv. zaaibedbereiding bemoeilijken.
Link: C.1.5.2
[77]
Bewerkbaarheid wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid, en technische uitvoerbaarheid.
1.
De effecten van directzaai op reductie van run-off en erosie zijn positief, zeker bij behoud van het gewasresidu (zie de daartoe voorziene cellen).
2.
De praktische uitvoerbaarheid is vaak iets minder vanzelfsprekend dan bij ploegen. Denk daarbij bv. aan de minder homogene bodemcondities of het verstoppen van werktuigen door gewasresten.
3. Verwacht wordt dat de
draagkracht positief beïnvloed wordt door de toepassing van directzaai, zeker op langere termijn. De bodemsterkte neemt namelijk gaandeweg toe, vooral dankzij de hogere aggregaatstabiliteit, het actiever bodemleven, en de stabielere structuur en porositeit. Het risico op bodemverdichting is ook onder directzaai reeël, maar wanneer wortelontwikkeling, gasuitwisseling en drainage niet belemmerd worden, vormt een eventueel compactere laag net een buffer tegen verdere verdichting van de diepere bodemlagen.
Link: C.1.6.1
[78]
Traditioneel ploegen resulteert in een effectieve vernietiging van onkruiden die op het veld staan, het verticaal onderwerken van onkruidzaden of wortelstokken, en een doorgaans goede uitvoerbaarheid van chemische of mechanische onkruidbestrijding. Onder directzaai daarentegen wordt onkruidbeheersing een pak moeilijker.
Hierdoor ontstaat doorgaans een verhoogde onkruiddruk. Het zijn vooral grassen en (moeilijker beheersbare) wortelonkruiden die in toenemende mate voor problemen kunnen zorgen.
Toch wijzen niet alle resultaten in dezelfde richting. Vaak spreekt men van een verschuiving in soorten eerder dan van een hoger totaal aantal onkruiden. Veel hangt af van het tijdstip, weersomstandigheden, en andere teelttechnische maatregelen.
Verschillende proeven geven iets meer onkruiddruk aan bij directzaai dan bij niet-kerende grondbewerking (NKG).
Link: C.1.6.3
[79]
De ervaringen hierrond zijn erg uiteenlopend, en veel is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en werktuigen.
Bij teeltkosten kan men in eerste instantie aan
brandstofverbruik denken. Een besparing op het brandstofverbruik kan met name bewerkstelligd worden door (1) een reductie in trekkrachtvereisten en dus brandstofverbruik per werkgang, of (2) het uitsparen van één of meerdere werkgangen.
Bij
directzaai vallen vanzelfsprekend één of meerder werkgangen voor bodembewerking weg, waardoor het brandstofverbruik en de teeltkosten in hun geheel snel dalen. Toch is hier enige omzichtigheid geboden omwille van de eventueel extra benodigde inspanningen betreffende bv. onkruidbeheersing of gewasbescherming.
Link: C.1.6.4

[80]
Omdat het effect van bodembewerking op de uiteindelijke gewasopbrengst wordt bepaald door een heel brede waaier aan effecten op de bodem, is het niet meer dan logisch dat de resultaten van verschillende studies en ervaringen vaak contrasterend zijn. Samenvattend is doorgaans echter sprake van een daling in gewasopbrengsten bij directzaai ten opzichte van ploegen (gemiddeld 8,5 %). Een belangrijke reden daarvoor is dat hoe minder intensief de bewerking is, des te groter het risico op opbrengstderving.
Zeker op kortere termijn wordt een daling van de opbrengst vastgesteld, aangezien de bodem tijd nodig heeft om tot een nieuw evenwicht te komen.
Of de uiteindelijke balans positief zal zijn, is ook afhankelijk van de specifieke situatie en het gewas.
Link: C.1.6.4

[81]
Met "mulching" wordt verwezen naar het bedekken van of licht inwerken in de bodem van organisch materiaal afkomstig van gewasresten, stro of groenbedekkers.
Bodembewerking is in de praktijk doorgaans bepalend voor het residubeheer, en de effecten van beiden zijn dan ook moeilijk strikt van elkaar te onderscheiden. Met deze maatregel willen we expliciet het effect aangeven van mulching.
Link: C.1.1
[82]
Het behoud van organisch materiaal bovenop of in de toplaag van de bodem betekent een rechtstreekse aanrijking van de bodem, en zodoende een grote kans tot geleidelijke opbouw van organische stof. De mate van opbouw hangt evenwel sterk af van de hoeveelheid effectieve organische stof, zijnde organische stof die na een jaar nog in de bodem aanwezig is. Dit hangt samen met de kwaliteit van het uitgangsmateriaal. Zie ook effecten van teeltrotatie en groenbedekkers op het organische koolstofgehalte.
Link: C.1.2.1
[83]
Het behoud van organisch materiaal bovenop of in de toplaag van de bodem betekent een rechtstreekse aanrijking van de bodem, en zodoende een grote kans tot geleidelijke opbouw van organische stof. De mate van opbouw hangt wel sterk af van de hoeveelheid effectieve organische stof, zijnde organische stof die na een jaar nog in de bodem aanwezig is. Dit hangt samen met de kwaliteit van het uitgangsmateriaal. Hoewel die aanrijking met name plaatsvindt in de toplaag, kan op termijn ook een geleidelijke aanrijking in de ondergrond verwacht worden.
Link: C.1.2.1
[84]
De pH kan op verschillende manieren beïnvloed worden door mulching, afhankelijk van de oorsprong van het organisch materiaal, en de manier waarop het kan afbreken. Bij afbraak onder zuurstofloze omstandigheden, vindt vaak een verzurend effect plaats.
[85]
Mulching leidt doorgaans tot een grotere totale mineralisatiehoeveelheid in de toplaag. De grotere hoeveelheden organisch materiaal, en de geleidelijke opbouw van grotere percentages organische koolstof en stikstof in die toplaag, zou die sterkere mineralisatie voor een groot deel verklaren.
Merk echter op dat de dynamiek van koolstof- en stikstofmineralisatie bijzonder complex is, en mede bepaald wordt door een brede waaier van bodemeigenschappen en -processen. Wat mulching betreft ,zal de
kwaliteit van het gewasresidu een belangrijke rol spelen in de uiteindelijke hoeveelheid en snelheid van mineralisatie.

Link: C.1.5.1
[86]
Of de aanvoer of het behoud van organisch materiaal aan de toplaag ook de N-beschikbaarheid voor de volgteelt zal verhogen, hangt af van de balans tussen een hele reeks van interagerende aspecten. Enerzijds wordt  wordt in de toplaag een grotere pool aan mineraliseerbare organische stikstof opgebouwd, anderzijds treden verliezen op. Zo gaat een deel van de stikstof verloren via de lucht door ammoniakvervluchtiging (tot 40%) en denitrificatie (tot 50%), of via het bodemwater door nitraatuitspoeling (10-30%). Gemiddeld genomen gaat 15 tot 20% van de N uit gewasresten naar bodemorganische stof. Die input kan de N-beschikbaarheid voor het volggewas verhogen.
Echter, niet enkel de hoeveelheid maar ook de kwaliteit van het organisch materiaal is van belang: bij stro van graangewassen bv. kan de hoge koolstof/stikstof (C/N-)verhouding een tijdelijke stikstofvastlegging teweegbrengen. Dit komt omdat het bodemleven de aanwezige stikstof uit de bodem nodig heeft om de in verhouding grotere hoeveelheid organische koolstof in het organisch materiaal af te breken. Men sprekt van stikstofimmobilisatie.

Link: C.1.2.3
[87]
Nitraatverliezen kunnen optreden door run-off/erosie of door uitspoeling. Mulching kan beide processen beïnvloeden, maar met een verschillende effect:
Aangezien het behoud van gewasresten aan het bodemoppervlak leidt tot een sterke afname van erosie, nemen ook de nitraatverliezen via die weg af.
Anderzijds laten bepaalde gewasresten (met name van bv. stikstofrijke groenten) vrij veel stikstof achter op het veld, die na de oogst snel kan mineraliseren en verloren kan gaan door uitspoeling. Dit effect is sterker bij afwezigheid van groenbedekkers.

Link: C.1.5.4
[88]
Het behoud van organisch materiaal bovenop of in de toplaag van de bodem, zal op termijn leiden tot meer organische stof en een rijker bodemleven. Die laatsten spelen een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes. Denk daarbij bv. aan de verbindingen die onstaan door de schimmeldraden, of de cementerende werking van stoffen afgescheiden door bacteriën en regenwormen. Op die manier stijgt de aggregaatstabiliteit.
Bovendien vormt het organische materiaal een directe beschermlaag tegen verslemping en erosie.
Link: C.1.3.1 en C.2.2.2
[89]
Het behoud van organisch materiaal bovenop of in de toplaag van de bodem draagt onrechtstreeks bij tot een relatief hogere porositeit, ondermeer door de geleidelijke opbouw van organische stof. Op korte termijn is dit effect vermoedelijk eerder beperkt.
Link: C.1.3.2
[90]
Het behoud van organisch materiaal bovenop of in de toplaag van de bodem draagt onrechtstreeks bij tot een relatief hogere porositeit. Zeker op langere termijn speelt daarbij ondermeer de geleidelijke opbouw van organische stof in de toplaag een belangrijke rol.
Link: C.1.3.2
[91]
Het behoud van gewasresidu nabij het bodemoppervlak speelt een doorslaggevende rol bij de infiltratiecapaciteit: deze mulchlaag beschermt de toplaag van de bodem tegen verslemping en korstvorming, en vormt een barrière tegen snelle afvoer door run-off. Hierdoor heeft het water meer tijd om te infiltreren.
Link: C.1.3.3
[92]
De aanwezigheid van organisch materiaal op of in de toplaag van de bodem doet de verdamping van water uit de bodem (evaporatie) dalen. Ook neemt de infiltratie toe en daalt de run-off door de aanwezigheid van een beschermende laag.
Dit alles zorgt voor een
stijging van het bodemvochtgehalte, met name in de toplaag, waardoor meer water ter beschikking komt van de gewassen. Anderzijds leidt dit in onze streken vaak tot een moeilijkere bewerkbaarheid.
Link: C.1.3.4
[93]
De vorming van een beschermende laag van organisch materiaal, betekent minder blootstelling van bodempartikels aan de lucht en dus minder snelle opdroging, opwarming en afkoeling. Daarom wordt verwacht dat dagtemperaturen in de toplaag beduidend lager kunnen zijn dan zonder deze mulslaag. Onder ons gematigd klimaat resulteert die verlaging van de temperatuurspieken meestal in ongunstig koele bodems: de gewasopkomst kan vertragen en zodoende kan de opbrengst dalen, zeker bij voorjaarsvorst.
Link: C.1.3.5
[94]
De aanwezigheid van een bedekkende laag organisch materiaal aan het oppervlak, vormt een rechtstreekse bescherming tegen de inslag van regendruppels bij overvloedige neerslag. Zodoende neemt het risico op verslemping sterk af. Ook de positieve impact op het organische stofgehalte en het bodemleven leidt tot een sterkere toplaag en dus een hogere weerstand tegen verslemping.
Link: C.1.5.2
[95]
De aanwezigheid van organisch materiaal op of in de toplaag van de bodem kan op langere termijn het risico op versmering of verdichting doen dalen, aangezien gaandeweg een sterkere bodem ontstaat, dankzij de opbouw van organische stof en het actiever bodemleven.
Link: C.1.5.2
[96]
Met name het behoud van gewasresten van de vorige teelt of groenbedekker resulteert in een sterke reductie van run-off en erosie. Dit materiaal vormt een rechtstreekse bescherming tegen de inslag van regendruppels bij overvloedige neerslag, en remt afstromend water af. Verder leidt de positieve impact op het organische stofgehalte en het bodemleven tot een sterkere toplaag, een betere infiltratie, en dus een hogere weerstand tegen erosie.
Link: C.1.5.3
[97]
Het behoud van organisch materiaal op het veld beïnvloedt meer nog dan het bewerkingstype de microbiële biomassa. Algemeen kan gesteld worden dat de microbiële biomassa in omvang toeneemt in de toplaag. Dit is grotendeels het gevolg van betere bodemfysische omstandigheden, een gunstig waterhoudend vermogen, minder extreme variaties in temperatuur en vochtgehalte, en een geleidelijke toename van organische koolstof in de toplaag.
Link: C.1.4
[98]
Bij behoud van organisch materiaal op het veld, wordt vaak een toenemende schimmeldominantie en dus een stijgende schimmel/bacterie verhouding waargenomen nabij het bodemoppervlak (0-10 cm diep). Toch hangt die eventuele verandering sterk af van de kwaliteit van het uitgangsmateriaal, en dus de afbreekbaarheid ervan.
Link: C.1.4.1

[99]
Regenwormen zijn talrijker en actiever bij behoud van organisch materiaal op het veld, ondermeer dankzij de aanwezigheid van een beschermende laag, meer bodemvocht, en een hoger voedselaanbod.
Link: C.1.4
[100]
Bewerkbaarheid wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid, en technische uitvoerbaarheid.
1. De
erosiegevoeligheid neemt zeker af bij behoud van het gewasresidu (zie de daartoe voorziene cellen).
2. Een moeilijkheid op vlak van
praktische uitvoerbaarheid is vaak het verstoppen van werktuigen door gewasresten.
3. Over de impact van mulching op de
draagkracht van de bodem is onvoldoende informatie beschikbaar, hoewel ze doorgaans positief ingeschat wordt.
Link: C.1.6.1
[101]
Heel wat potentieel negatieve gevolgen van bodembeheer voor ziekte- en plaagwerendheid, zijn gerelateerd aan het behoud van organisch materiaal op of vlak onder het bodemoppervlak. Dat substraat fungeert daarbij als voedselbron en overbrugging tussen twee opeenvolgende gewassen, en creëert gunstige groeiomstandigheden voor een aantal pathogenen, zoals een koeler en vochtiger bodemoppervlak. Dit is bv. het geval voor de pathogenen Pythium en Fusarium, maar ook voor Botrytis, meeldauw of roest.
Verder vormt een perceel met gewasresten op het oppervlak een aantrekkelijk habitat voor slakken en muizen.
Link: C.1.6.3
[102]
Heel wat potentieel negatieve gevolgen van bodembeheer voor ziekte- en plaagwerendheid, zijn gerelateerd aan het behoud van organisch materiaal op of vlak onder het bodemoppervlak. Dat substraat fungeert daarbij als voedselbron en overbrugging tussen twee opeenvolgende gewassen, en creëert gunstige groeiomstandigheden voor een aantal pathogenen, zoals een koeler en vochtiger bodemoppervlak.
Ondanks het groter risico op ziektes en plagen op korte termijn, neemt ook de activiteit van gunstige organismen gaandeweg toe door het behoud van organisch materiaal op het veld, waardoor verondersteld wordt dat de natuurlijke ziekte- en plaagwerendheid stijgt.
Een "ziekte- of plaagwerende bodem" kan daarbij gedefinieerd worden als een bodem waarin het voorkomen en de ernst van ziektes/plagen heel beperkt blijft, zelfs wanneer pathogenen en plaagverwekkers effectief aanwezig zijn. Zoiets is mogelijk wanneer gunstige organismen pathogenen en plagen onderdrukken, bv. door competitie voor ruimte, water en nutriënten, door het afscheiden van toxische stoffen, of door rechtstreekse predatie (het opeten van de pathogenen/plagen). Onze kennis op dit vlak staat nog in de kinderschoenen.
Link: C.1.6.3
[103]
Verwacht wordt dat het behoud van organisch materiaal op het bodemoppervlak het kiemen van onkruid belemmert.
Verder kan de vaak negatief ervaren aantrek van muizen op het vlak van onkruidonderdrukking een positief neveneffect veroorzaken: muizen evenaals allerlei loopkevers kunnen enorme hoeveelheden onkruidzaad opeten.
Link: C.1.6.3
[104]
Gewaskeuze en gewasopvolging binnen een rotatie worden vertaald in een teeltrotatie.
Link: C.2
[105]
Hoewel de impact van bodembewerking op het behoud of de verhoging van het organisch koolstof (OC-)gehalte doorgaans groter is, spelen ook gewaskeuze en rotatie hier een niet te onderschatten rol.
De effecten van de teeltrotatie op het organische koolstofgehalte worden voornamelijk bepaald door de
input van organisch materiaal onder de vorm van boven- en ondergrondse oogstresten. De samenstelling van de rotatie en de (gewasafhankelijke) kwantiteit van de oogstresten bepalen daarbij in grote mate het eindresultaat. Sommige gewassen laten veel en andere weinig organisch materiaal na onder de vorm van oogst- en rooiresten. Hoe het organische stofgehalte in de bodem beïnvloed wordt, hangt echter niet enkel van de hoeveelheid, maar ook van de kwaliteit (afbraaksnelheid) af. Zo zijn er groentegewassen die veel oogstresten nalaten (bv. bloemkool, broccoli, spruitkool), maar een lage koolstof/stikstofverhouding hebben, hetgeen betekent dat deze materialen snel afbreken en dus weinig bijdragen tot effectieve koolstofopslag.
Bepaalde studies toonden aan dat gewasrotatie vooral een grote
impact heeft op de kwaliteit van de bodemorganischestof.

Link: C.2.2.1
[106]
De effecten van de teeltrotatie op mineralisatie worden voornamelijk bepaald door de aanvoer van organisch materiaal onder de vorm van eventuele oogst-  of rooiresten. Na de oogst van het gewas zullen deze boven- en ondergrondse gewasresten in of op de bodem onderworpen worden aan afbraak. De kwaliteit, hoeveelheid en locatie van die oogstresten spelen een belangrijke rol in de uiteindelijke hoeveelheid en snelheid van mineralisatie. Sommige gewassen laten daarbij veel en andere weinig organisch materiaal na. Ook de kwaliteit is erg variabel. Wat die laatste betreft, speelt met name de verhouding tussen de hoeveelheid koolstof en stikstof (C/N verhouding) een belangrijke rol: hoe lager de C/N verhouding hoe sneller de afbraak.
Verder wordt de complexe dynamiek van koolstof- en stikstofmineralisatie mede bepaald door weersomstandigheden en een brede waaier van bodemeigenschappen en -processen.
Merk op: daar waar bij bewerking vooral gesproken wordt over mineralisatie van bodem organische stof, wordt hier bij teeltrotatie voornamelijk over mineralisatie van gewasresten gesproken.

Link: C.2.2.1
[107]
De effecten van de teeltkeuze op N-beschikbaarheid voor het volggewas worden voornamelijk bepaald door de voorafgaande stikstofopname van de teelt en de eventuele aanvoer van organische stikstof onder de vorm van boven- en ondergrondse oogst-  of rooiresten.
Tijdens de ontwikkeling van een gewas wordt een zekere hoeveelheid stikstof opgenomen. Die stikstof kan afkomstig zijn van een recent toegediende meststof, maar ook de bodemvoorraad wordt hiervoor aangesproken. Het resultaat is globaal genomen een (tijdelijke) daling van het stikstofgehalte in de bodem.
De mate waarin stikstof opgenomen wordt, varieert van gewas tot gewas en hangt af van een aantal factoren, waaronder de stikstofbehoefte van het gewas, de  verblijftijd op het veld, de bewortelingsdiepte of de verdeling/verspreiding van de wortels.

Link: C.2.2.1
[108]
De effecten van de teeltkeuze en -rotatie op eventuele nitraatverliezen na de oogst worden voornamelijk bepaald door de hoeveelheid minerale of mineraliseerbare stikstof die op het veld en in de bodem aanwezig blijft. Dit wordt beïnvloed door ondermeer de stikstofopname van het gewas, de uitgevoerde bemesting en de (snelheid van) stikstofnalevering door mineralisatie van oogst-  of rooiresten.
Ook de periode tijdens dewelke een teelt plaatsvindt is van belang. Denk daarbij aan eventuele bedekking tijdens de winter en de mogelijkheid om groenbedekkers te telen.

Link: C.2.2.1
[109]
De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op aggregaatstabiliteit worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen). Die organische stof heeft namelijk zelf een cementerende werking en stimuleert een actief bodemleven, eveneens van belang bij het aaneenkitten van bodemdeeltjes. Denk daarbij bv. aan de verbindingen die onstaan door de schimmeldraden, of de cementerende werking van stoffen afgescheiden door bacteriën en regenwormen.
Link: C.2.2.2
[110]
Door het lage soortelijk gewicht van organische stof, betekent een bijmenging in de bodem op langere termijn een afname van de bodemdichtheid en dus toename van het poriënvolume. De bodem is hierdoor vaak beter doordringbaar voor wortels, en het waterbergend vermogen neemt toe.
De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op dichtheid en porositeit worden dan ook voornamelijk bepaald door de impact op het bodem organische stofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen).
Link: C.2.2.2
[111]
De effecten van teeltrotatie op de infiltratiesnelheid zijn hoofdzakelijk gerelateerd aan het type bewerking, alsook kenmerken van het wortelstelsel van het gewas, de bodembedekking, de activiteit van het bodemleven en het organische stofgehalte van de bodem. Zo zal een betere beworteling nieuwe poriën en dus infiltratiekanalen creëren. Op gelijkaardige manier draagt een actief bodemleven bij tot de vorming van natuurlijke poriën. Denk daarbij aan regenwormen die grote, vertikaal georiënteerde poriën creëren en zo een snelle waterinfiltratie garanderen. Organische stof zorgt dan weer voor een hogere porositeit van de bodem en stabielere bodemstructuur, waardoor water en lucht gemakkelijker door de bodem dringen. Indirect dient organische stof daarnaast ook als een bron van voedsel en energie voor een groot aantal bodemorganismen. Tot slot speelt ook de bodembedekking een prominente rol: een bodembedekkend gewas beschermt de toplaag tegen verslemping en korstvorming, en vormt een barrière tegen snelle afvoer door run-off. Hierdoor heeft het water meer tijd om te infiltreren.
Link: C.2.2.2
[112]
Het effect van teeltkeuze en -rotatie op verslemping wordt hoofdzakelijk bepaald door een drietal factoren:
- Gewasrotaties die het
organische stofgehalte positief beïnvloeden, bewerkstelligen een bodemstructuur met stabiele aggregaten, een goede drainage, en zodoende een laag risico op verslemping. Het organische stofgehalte en een actief bodemleven spelen namelijk een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes en dragen zodoende bij tot een verhoogde stabiliteit van de bodemaggregaten. Op die manier verhoogt de weerstand tegen verslemping.
- Nog belangrijker is de (snelheid van)
bodembedekking, die een rechtstreekse bescherming vormt tegen de inslag van regendruppels bij overvloedige neerslag, en zo het risico op verslemping doet dalen.
- Tot slot speelt ook de fijnheid van het
zaaibed een grote rol.
Het risico op verslemping is vaak grootst in het voorjaar, gezien de grote intensiteit van de voorjaarsbuien.

Link: C.2.3.1
[113]
De effecten van teeltkeuze en -rotatie op run-off en erosie worden sterk bepaald door de bedekkingsgraad van de bodem, de hoogte van het bladerdek, de beworteling, de groeiperiode en de teelttechnische maatregelen gerelateerd aan een bepaald gewas.
Zo neemt met een goede bovengrondse bedekking het risico op losmaken van bodempartikels door de inslag van regendruppels af, en wordt de snelheid van afstromend water beperkt. Daarnaast betekent een intensieve beworteling een toename van de aggregaatstabiliteit en verhoogde waterdoorlatendheid, wat de kans op verslemping, afspoeling en erosie opnieuw verlaagd.
Merk op dat de bedekkingsgraad van eenzelfde gewas sterk varieert doorheen het jaar, waardoor ieder gewas een zekere risicoperiode kent. Dat geeft reeds aan dat vooral ook de opvolging van gewassen binnen een rotatie de erosiegevoeligheid van die rotatie bepaalt: een goede combinatie garandeert een quasi permanente bedekking. Het oogsttijdstip en daarmee samenhangend de mogelijkheid om een groenbedekker in te zaaien, speelt hier eveneens een grote rol.
Link: C.2.3.1
[114]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij doorgaans met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijker afbreekbaar organisch materiaal dat veel koolstof en relatief weinig stikstof bevat. Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan en kwaliteit van organisch materiaal. Ook uitscheidingsstoffen van wortels kunnen een rol spelen.
Link: C.2.2.3
[115]
Hoewel afhankelijk van meerdere factoren (denk ook aan bemestingsregime en bodembewerking), zou elk gewas een specifieke schimmel/bacterie verhouding stimuleren. Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn. Ook de bacteriële groeisnelheid ligt hoger onder eenjarige teelten wat wijst op de aanwezigheid van meer snelgroeiende bacteriën, die snel kunnen reageren op de meer onregelmatige input van organisch materiaal.
Verder speelt ook de
kwaliteit van het organisch materiaal (van oogstresten) een rol. Doorgaans wordt de bacteriële biomassa gestimuleerd door toediening van organisch materiaal met veel stikstof en snel afbreekbare organische verbindingen, daar waar de schimmelbiomassa stijgt bij toediening van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal.
Deze hypotheses kunnen echter moeilijk worden aangetoond met data van lange termijn experimenten.
Link: C.2.2.3
[116]
De gewaskeuze binnen een teeltrotatie zorgt vermoedelijk voor een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen, voorkeur voor bepaalde gewassen en voorkeur voor fysieke leefcondities; aspecten die door teeltkeuze en -rotatie beïnvloed worden.
Enerzijds kunnen gewassen een bron van voedsel vormen voor nematoden (men spreekt van waardplanten), anderzijds kunnen ze ook aaltjesonderdrukkend werken. Gewaskeuze, net als keuze van groenbedekkers, vervult op die manier een belangrijke rol in de bestrijding van schadelijke nematoden. Voor meer informatie wordt verwezen naar www.aaltjesschema.nl.
Algemeen zouden onder akkerland vooral de bacterivore nematoden overheersen terwijl in permanent grasland voornamelijk plantparasitaire (schadelijke) nematoden voorkomen (in respons op het uitgebreide wortelstelsel onder grasland).
Link: C.2.2.3
[117]
De effecten van de teeltkeuze en -rotatie op de regenwormenpopulatie worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt, de eventuele aanvoer van organisch materiaal via boven- en ondergrondse gewasresten, de afscheiding van bepaalde stoffen door levende wortels, en het bodemklimaat (temperatuur en vochtigheid) geassocieerd met een bepaalde teelt.
Hoe intensiever en dieper de bewerking, hoe ernstiger de eventuele schade aan de regenwormenpopulatie.
Gewasresten fungeren als een bron van voedsel, en kunnen bovendien een gunstig habitat creeëren.
Link: C.2.2.3
[118]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte via de aanvoer van gewasresten (zie de daarvoor voorziene cellen). De organische stofhoeveelheid en het bodemleven spelen namelijk een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes, wat bijdraagt tot een verhoogde aggregaatstabiliteit en dus mogelijk leidt tot een grotere draagkracht en verminderd risico op erosie.

Link: C.2.2.2 en C.2.3.1
[119]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding. Het roteren van verschillende gewassen (gewassen die genetisch niet verwant zijn) blijkt met name erg effectief te zijn als men te maken heeft met bodemgebonden, gewasspecifieke ziektes of plagen (bv. aardappelcystenaaltje). Lang wachten om hier met hetzelfde gewas opnieuw te komen kan voldoende zijn om de plantenbeschadigers te verminderen in aantal of helemaal te doen verdwijnen, wegens gebrek aan een waardplant. Daarenboven zorgt de afwisseling van verschillende pesticiden voor een vertraagde resistentieontwikkeling. Vruchtwisseling helpt niet wanneer de schadeverwekkers mobiel en niet-gewasspecifief zijn.

Link: C.2.4.1

[120]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een relatief grote impact hebben op de onkruiddruk. Processen die daarbij van belang zijn, zijn ondermeer het voldoende afwisselen van gewassen, het vormen van een snelle bedekking en het zaaitijdstip.

Link: C.2.4.1

[121]
De impact van teeltrotatie op gewasopbrengst hangt grotendeels af van de samenstelling van die rotatie: de ervaring leert daarbij dat het afwisselen van gewassen in de tijd (in tegenstelling tot een monocultuur) een garantie is voor betere gewasprestaties.
Desalniettemin wordt de opbrengst van een gewas beïnvloed door een brede waaier aan andere factoren. Denk aan de weersomstandigheden, het bodemtype, de bemesting, de ziektedruk, de bodemkwaliteit of de vochtvoorziening in de bodem.
Sommige van deze factoren verschillen van jaar tot jaar, wat maakt dat ook de gewasopbrengsten onderhevig zijn aan schommelingen. Als alle factoren optimaal zijn, zullen maximale gewasopbrengsten bereikt worden.
Link: C.2.4.2
[122]
De toenemende specialisatie in de landbouwsector in onze contreien heeft geleid tot enge rotaties. Zo hebben de melkveebedrijven vaak nog maar twee gewassen, zijnde grasland en maïs. Het merendeel van de maïs wordt onrijp geoogst en volledig verhakseld (grofgemalen). Het wordt als snijmaïs of kuilmaïs voornamelijk aan rundvee gevoederd (voedermaïs).
Link: C.2.2.1
[123]
Door de oogst van de volledige plant, voegt snijmaïs weinig organisch materiaal toe aan de bodem, met doorgaans een geleidelijke daling in het organische stofgehalte tot gevolg. Link: C.2.2.1
[124]
De mineralisatie na de oogst van snijmaïs zal vooral afhangen van het organisch materiaal reeds aanwezig in de bodem, en de bodem- en weersomstandigheden. Snijmaïs zelf brengt weinig tot geen organisch materiaal aan. Link: C.2.2.1
[125]
De effecten van de teeltkeuze op N-beschikbaarheid voor het volggewas worden voornamelijk bepaald door de voorafgaande stikstofopname van de teelt en de eventuele aanvoer van organische stikstof onder de vorm van oogst-  of rooiresten.
Snijmaïs neemt vrij veel stikstof op tijdens de ontwikkeling, maar laat weinig tot geen oogstresten na. Op termijn daalt onder een monocultuur snijmaïs dan ook het organische stofgehalte, waardoor de stifstofbeschikbaarheid van de bodem zal dalen.
Link: C.2.2.1
[126]
Snijmaïs heeft een hoge nutriëntenbehoefte gedurende een relatief korte periode, en wordt vaak intensief bemest. De stikstofopname neemt echter heel sterk af vanaf midden juli, vóór afrijping. Daarenboven vindt de oogst laat in het seizoen plaats, waardoor het inzaaien van een groenbedekker als vanggewas bemoeilijkt wordt. Dit alles verhoogt het risico op nitraatuitspoeling tijdens de winter.
Link: C.2.2.1
[127]
De geleidelijke daling van het organische stofgehalte onder een monocultuur maïs resulteert tevens in een afname in aggregaatstabiliteit. De organische stof heeft namelijk zelf een cementerende werking en stimuleert een actief bodemleven, eveneens van belang bij het aaneenkitten van bodemdeeltjes. Link: C.2.2.2
[128]
Door het lage soortelijk gewicht van organische stof, betekent een bijmenging in de bodem op langere termijn een afname van de bodemdichtheid en dus toename van het poriënvolume.
Onder een monocultuur maïs neemt het organische stofgehalte echter geleidelijk af, en zodoende de bodemdichtheid op langere termijn toe.
Daarenboven gebeurt de oogst van snijmaïs vrij laat in het najaar, in soms slechte weersomstandigheden (natte bodem) waardoor de kans op bodemverdichting toeneemt (zie "bodemverdichting").
De negatieve impact op het bodemleven (bv. afname van de regenwormenpopulatie) door het gebrek aan oogstresten onder een monocultuur maïs, resulteert eveneens in een afname van het poriënvolume en dus toename van de bodemdichtheid. Regenwormen bv. zorgen door hun graafactiviteiten namelijk voor een uitgebreid gangenstelsel.
Link: C.2.2.2
[129]
De effecten van teeltrotatie op de infiltratiesnelheid zijn hoofdzakelijk gerelateerd aan kenmerken van het wortelstelsel van het gewas, de bodembedekking, de activiteit van het bodemleven en het organische stofgehalte van de bodem.
Onder een monocultuur snijmaïs gaat het organische stofgehalte en bijgevolg ook de activiteit van het bodemleven achteruit door de oogst van de gehele plant. Hierdoor neemt ook de infiltratiecapaciteit af. Bovendien wordt maïs in rijen geteeld wat de kans op snelle run-off verhoogt.
Link: C.2.2.2
[130]
Het effect van teeltkeuze en -rotatie op verslemping wordt hoofdzakelijk bepaald door een drietal factoren:
- Het effect op het organische stofgehalte, dat samen met een actief bodemleven een belangrijke rol speelt in de binding van bodemdeeltjes en zodoende bijdraagt tot een verhoogde stabiliteit van de bodemaggregaten. Op die manier verhoogt de weerstand tegen verslemping.
- De (snelheid van) bodembedekking, die een rechtstreekse bescherming vormt tegen de inslag van regendruppels bij overvloedige neerslag, en zo het risico op verslemping doet dalen.
- De fijnheid van het zaaibed.
Een monocultuur snijmaïs gaat echter gepaard met een afname van het organisch stofgehalte en de activiteit van het bodemleven, en wordt geteeld in rijen. Hierdoor wordt verwacht dat het risico op verslemping toeneemt.
Link: C.2.3.1
[131]
De oogst van snijmaïs gebeurt doorgaans vrij laat in het najaar, in soms slechte weersomstandigheden (natte bodem). Hierdoor neemt de kans op bodemverdichting toe.
Een monocultuur snijmaïs gaat bovendien gepaard met een afname van het organisch stofgehalte en de activiteit van het bodemleven, met opnieuw een minder stabiele bodemstructuur tot gevolg.
Link: C.2.3.1
[132]
Snijmaïs scoort slecht op het vlak van erosiegevoeligheid. Een belangrijke factor daarbij is de teelt in rijen, met een hoog risico op erosie tijdens de (vaak intensieve) voorjaarsbuien tot gevolg. Met name tussen maart en juli is het erosierisico hoog, wegens de nog beperkte bedekking.
Bovendien laat de teelt van maïs nauwelijks ruimte voor een groenbedekker na de oogst, waardoor de bodem tijdens de wintermaanden vaak onbedekt blijft.
Link: C.2.3.1
[133]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij doorgaans met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijker afbreekbaar organisch materiaal dat veel koolstof en relatief weinig stikstof bevat. Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan en kwaliteit van organisch materiaal.
Een
monocultuur snijmaïs voegt weinig organisch materiaal onder de vorm van oogstresten toe aan de bodem, waardoor de microbïele biomassa eerder laag blijft. Een monocultuur blijkt ook vaker te resulteren in een minder diverse microbiële gemeenschap dan een rotatie van verschillende gewassen.
Link: C.2.2.3
[134]
Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn. Ook de bacteriële groeisnelheid ligt hoger onder eenjarige teelten wat wijst op de aanwezigheid van meer snelgroeiende bacteriën, die snel kunnen reageren op de meer onregelmatige input van organisch materiaal.
Link: C.2.2.3
[135]
De gewaskeuze binnen een teeltrotatie zorgt vermoedelijk voor een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities; omstandigheden die door de teelkeuze beïnvloed worden. Zo zouden onder akkerland vooral de bacterivore nematoden overheersen.
Onderzoek wijst ook uit dat onder akkerland de hoeveelheid vrijlevende (gunstige) nematoden hoger ligt in een gewasrotatie terwijl de
plantparasitaire nematoden de bovenhand nemen in een monocultuur.
Link: C.2.2.3
[136]
Het afwezig zijn van een permanente bodembedekking bij een monocultuur snijmaïs zorgt voor een grotere variabiliteit in bodemtemperatuur en vochtregime, wat de regenwormenpopulatie negatief beïnvloedt. Bovendien laat snijmaïs weinig tot geen oogstresten na: het gebrek aan voldoende voedsel en bodembedekking vormt zodoende een ernstige beperking.
Link: C.2.2.3
[137]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen).
Onder een
monocultuur snijmaïs dalen gaandeweg het organische stofgehalte en de activiteit van het  bodemleven, en hierdoor ook de aggregaatstabiliteit. Dit maakt dat de bodem minder draagkracht vertoont. Bovendien gebeurt de oogst van snijmaïs doorgaans vrij laat en onder nattere omstandigheden, en dus op een moment waarop de draagkracht relatief laag is.
Ook op vlak van erosiegevoeligheid scoort snijmaïs slecht.
Link: C.2.2.2 en C.2.3.1
[138]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding.
Bij een
monocultuur verwacht men meer problemen met ziekten en plagen. Bovendien worden jaar na jaar dezelfde pesticiden gebruikt waardoor resistentieontwikkeling versnelt. Maïs heeft als gewas weinig last van bodemgebonden ziekten en plagen en kan daarom goed in continuteelt worden verbouwd. Toch werd aangetoond dat de kans op wortelverbruining, een schimmelaantasting door o.a. Pythium spp. en Fusarium spp., bij continuteelt toeneemt. Dit geldt ook voor de wortelaaltjes Pratylenchus en Tylenchorhynchus. De omvang van de schade is moeilijk aan te geven, maar bedraagt wellicht enkele procenten.
Link: C.2.4.1
[139]
Bij een monocultuur snijmaïs wordt een toename in de onkruiddruk verwacht. Onderzoek toonde aan dat een monocultuur maïs een erg grote onkruidzaadbank bezit, echter met een beperkte diversiteit. Daarbij komen vooral thermofiele (warmteminnende) onkruiden tot ontwikkeling. Bij een monocultuur worden jaar na jaar dezelfde herbiciden toegepast, waardoor de selectiedruk op onkruiden toeneemt en het ontwikkelen van resistentie versnelt. Een bekend voorbeeld is de toename van Hanepoot (Echinochloa crus-galli L.) in maïs. Vanwege de relatief late inzaai van maïs in het voorjaar en de lange periode voor gewassluiting kan dit laat ontkiemde onkruidgras zich goed ontwikkelen. In continuteelt van maïs kan het zich daardoor sterk uitbreiden.
Link: C.2.4.1
[140]
Enerzijds is de toepassing van een monocultuur doorgaans economisch efficiënter dan het telen van een diversiteit aan gewassen. Zo vereist een monocultuur minder machines en minder diverse expertise. Anderzijds dient soms een overmaat aan meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen ingezet te worden om de problemen die onstaan ten gevolge van een monocultuur aan te pakken.
Ondernemers proberen een bouwplan samen te stellen waarbij het inkomen wordt gemaximaliseerd, zonder grote risico’s op schade door bodemgebonden ziekten en plagen, te late oogst- of zaaitijdstippen of een te laag organische stofgehalte.
Met
snijmaïs kunnen melkveehouders samen met gras(kuil) en krachtvoer tot een optimaal voederrantsoen komen. De continuteelt van snijmaïs in de melkveehouderij heeft vaak meer praktische dan economische redenen, zoals de onmogelijkheid om percelen te beweiden vanwege de afstand tot het bedrijf. Verder is de teelt van snijmaïs eenvoudig. In de meeste gevallen is daarom vanuit een economisch standpunt geen behoefte aan andere voedergewassen naast maïs.
Link: C.2.4.2
[141]
Doorgaans gaan gewasprestaties geleidelijk achteruit onder volgehouden monocultuur.
Maïs is echter behoorlijk zelfverdraagzaam waardoor geen te grote opbrengstderving te verwachten valt bij een monocultuur. Men verwacht wel een achteruitgang van de fysische en chemische bodemvruchtbaarheid. Snijmaïs voegt immers weinig organisch materiaal toe aan de bodem, met een daling in het organische stofgehalte tot gevolg. Ook kan men een toename van de onkruidzaadvoorraad in de bodem verwachten (vooral van thermofiele onkruiden) en meer problemen met ziekten en plagen.
Diverse onderzoeken hebben reeds aangetoond dat de
teelt van snijmaïs in monocultuur meestal leidt tot een lagere snijmaïsopbrengst dan wanneer deze maïs geteeld wordt in een rotatie met andere gewassen.
Link: C.2.4.2
[142]
Onder een gevarieerde teeltrotatie wordt hier begrepen het gevarieerd afwisselen van gewassen met een verschillende groeikarakteristiek (bv ondiep en diep wortelend) en een verschillend zaai- en oogsttijdstip. De rijkdom of variatie van een teeltrotatie neemt bv. ook toe bij het achterwege laten van braak, het uitbreiden van een rotatie met meer gewassen, het telen van groenbedekkers, of het omschakelen van een monocultuur naar rotatie.
Link: C.2.1 en C.2.2
[143]
De effecten van de teeltrotatie op het organische stofgehalte worden voornamelijk bepaald door de input van organisch materiaal onder de vorm van boven- en ondergrondse oogstresten. De samenstelling van de rotatie en de (gewasafhankelijke) kwantiteit van de oogstresten bepalen daarbij in grote mate het eindresultaat. Sommige gewassen laten veel en andere weinig organisch materiaal na onder de vorm van oogst- en rooiresten. Hoe het organische stofgehalte in de bodem beïnvloed wordt, hangt echter niet enkel van de hoeveelheid, maar ook van de kwaliteit (afbraaksnelheid) af. Zo zijn er groentegewassen die veel oogstresten nalaten (bv. bloemkool, broccoli, spruitkool), maar een lage koolstof/stikstofverhouding hebben, hetgeen betekent dat deze materialen snel afbreken en dus weinig bijdragen tot effectieve koolstofopslag.

Hoewel moeilijk te veralgemenen verloopt de koolstofopslag doorgaans
efficiënter onder een gevarieerde rotatie dan onder monocultuur. Een gevarieerde teeltrotatie met permanente bodembedekking voorkomt daarenboven verliezen van organische stof door erosie.

Link: C.2.2.1
[144]
Over het effect van een gevarieerde teeltrotatie op de mineralisatie vallen weinig algemene uitspraken te doen, aangezien de gewassamenstelling van de rotatie en de kwantiteit en de kwaliteit van de oogstresten het eindresultaat zullen bepalen.
Doorgaans omvat een gevarieerde rotatie meerdere gewassen met veel gewasresten en daardoor toevoeging van organisch materiaal. Ook het inbouwen van tijdelijk grasland en/of groenbedekkers in de rotatie kan een stimulans betekenen voor de mineralisatie.
Link: C.2.2.1
[145]
De effecten van de teeltkeuze op N-beschikbaarheid voor het volggewas worden voornamelijk bepaald door de voorafgaande stikstofopname van de teelt en de eventuele aanvoer van organische stikstof onder de vorm van oogst-  of rooiresten.
In een ideaal
gevarieerde teeltrotatie worden ondiep en diep wortelende gewassen afgewisseld, worden gewassen met veel oogstresten en gewassen met weinig oogstresten afgewisseld, en schenkt men aandacht aan vlinderbloemigen, groenbedekkers en zodevormende gewassen. Dit zorgt voor een goede bodemstructuur en voldoende aanvoer van organisch materiaal, waardoor mineralisatie kan plaatsvinden en stikstof ter beschikking komt van de plant. Een goed uitgekiende teeltrotatie houdt bovendien rekening met de stikstofnalevering en de stikstofbehoefte van elk gewas, waardoor de vrijgekomen stikstof optimaal benut kan worden.
Link: C.2.2.1
[146]
Een gevarieerde teelltrotatie streeft naar een bewuste gewasopvolging en het correct gebruik van groenbedekkers als vanggewassen, waardoor de aanwezige nutriënten optimaal benut worden en eventuele verliezen beperkt blijven.
Link: C.2.2.1
[147]
In een ideaal gevarieerde teeltrotatie worden ondiep en diep wortelende gewassen afgewisseld, worden gewassen met veel oogstresten en gewassen met weinig oogstresten afgewisseld, en schenkt men aandacht aan vlinderbloemigen, groenbedekkers en zodevormende gewassen (gewassen die uitstoelen en zo een dichte mat vormen). Elk van deze aspecten draagt bij tot een hogere aggregaatstabiliteit:
- De aanrijking met organische stof is relevant omdat organische stof zelf een cementerende werking heeft en daarnaast een actief bodemleven stimuleert, eveneens van belang bij het aaneenkitten van bodemdeeltjes.
- Dat bodemleven profiteert ook op andere manieren van een goed uitgekiende rotatie. Denk daarbij bv. aan de diversiteit in gewasresten en het nastreven van quasi permanente bodembedekking.
- Ook intensieve beworteling houdt de bodemaggregaten bijeen. Dit is kenmerkend voor bv. zodevormende gewassen zoals grassen of witte klaver.
Link: C.2.2.2
[148]
Een regelmatige afwisseling van ondiep en diep wortelende gewassen en gewassen met veel en weinig oogstresten zorgt voor voldoende aanvoer van organisch materiaal, een gezond bodemleven en een goede bodemstructuur. Dit alles resulteert in een toename van het poriënvolume in de bodem en dus in een afname van de bodemdichtheid. Een verklaring ligt ondermeer in het feit dat de organische stof een laag soortelijk gewicht heeft waardoor bijmenging in de bodem zorgt voor een lagere bodemdichtheid. Daarnaast zorgt een toename in bv. de regenwormpopulatie  en -activiteit voor een uitgebreid gangenstelsel. Ook door intensieve en/of diepe beworteling worden kanalen gecreëerd.
Link: C.2.2.2
[149]
In een ideaal gevarieerde teeltrotatie worden ondiep en diep wortelende gewassen afgewisseld, worden gewassen met veel oogstresten en gewassen met weinig oogstresten afgewisseld, en schenkt men aandacht aan vlinderbloemigen, groenbedekkers en zodevormende gewassen (gewassen die uitstoelen en zo een dichte mat vormen). Elk van deze aspecten draagt op een specifieke manier bij aan een verhoogde infiltratiecapaciteit.
Zo zal een intensieve beworteling nieuwe poriën en dus infiltratiekanalen creëren. Op gelijkaardige manier draagt een actief bodemleven bij tot de vorming van natuurlijke poriën. Denk daarbij aan regenwormen die grote, vertikaal georiënteerde poriën creëren en zo een snelle waterinfiltratie garanderen. Organische stof zorgt dan weer voor een hogere porositeit van de bodem en stabielere bodemstructuur, waardoor water en lucht gemakkelijker door de bodem dringen. Indirect dient organische stof daarnaast ook als een bron van voedsel en energie voor een groot aantal bodemorganismen. Tot slot speelt ook de bodembedekking een prominente rol: een groenbedekker of zodevormend gewas beschermt de toplaag tegen verslemping en korstvorming, en vormt een barrière tegen snelle afvoer door run-off. Hierdoor heeft het water meer tijd om te infiltreren.
Link: C.2.2.2
[150]
In een ideaal gevarieerde teeltrotatie worden ondiep en diep wortelende gewassen afgewisseld, worden gewassen met veel oogstresten en gewassen met weinig oogstresten afgewisseld, en schenkt men aandacht aan permanente bodembedekking. Elk van deze aspecten draagt op een specifieke manier bij aan een verlaagd risico op verslemping.
Het organische stofgehalte en een actief bodemleven spelen namelijk een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes en dragen zodoende bij tot een verhoogde stabiliteit van de bodemaggregaten. Op die manier verhoogt de weerstand tegen verslemping. Nog belangrijker is de bodembedekking die een rechtstreekse bescherming vormt tegen de inslag van regendruppels bij overvloedige neerslag. 
Link: C.2.3.1



[151]
Een regelmatige afwisseling van ondiep en diep wortelende gewassen en gewassen met veel en weinig oogstresten zorgt voor voldoende aanvoer van organisch materiaal, een gezond bodemleven en een goede bodemstructuur. Elk van deze effecten resulteert in een verhoogde weerstand tegen versmering en verdichting.
Naast de preventieve werking kan de introductie van een diep wortelend gewas (bv. luzerne) eventueel verdichte lagen doorbreken.
Link: C.2.3.1
[152]
Een gevarieerde teeltrotatie streeft naar een bodembedekking het jaar rond door een bewuste gewasopvolging en het inpassen van groenbedekkers. Ook zorgt een afwisseling met diep wortelende gewassen voor een stabielere bodemstructuur, goeie drainage en hierdoor een verminderd risico op verslemping, versmering en verdichting. Zodoende daalt ook het risico op erosie.
Link: C.2.3.1
[153]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij doorgaans met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijker afbreekbaar organisch materiaal dat veel koolstof en relatief weinig stikstof bevat. Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan en kwaliteit van organisch materiaal.
Een
rotatie van verschillende gewassen resulteert vaak in een meer diverse en actieve microbiële gemeenschap dan een monocultuur. De grotere diversiteit aan oogstresten en stoffen afgescheiden door wortels in een rotatie geldt hier als een mogelijke verklaring.
Link: C.2.2.3
[154]
Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn. Ook de bacteriële groeisnelheid ligt hoger onder eenjarige teelten wat wijst op de aanwezigheid van meer snelgroeiende bacteriën, die snel kunnen reageren op de meer onregelmatige input van organisch materiaal.
Waargenomen werd dat een
afwisseling van één- en meerjarige teelten kan resulteren in een meer diverse microbiële gemeenschap.
Link: C.2.2.3
[155]
De gewaskeuze binnen een teeltrotatie zorgt vermoedelijk voor een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities; omstandigheden die door de teelkeuze en -rotatie beïnvloed worden. Zo zouden onder akkerland vooral de bacterivore nematoden overheersen.
Onderzoek wijst ook uit dat onder akkerland
de hoeveelheid vrijlevende (gunstige) nematoden hoger ligt in een gewasrotatie terwijl de plantparasitaire nematoden de bovenhand nemen in een monocultuur.
Link: C.2.2.3

[156]
Een teeltrotatie kan door een bewuste gewasopvolging en de toepassing van groenbedekkers zorgen voor een quasi permanente bodembedekking en zo de variabiliteit in bodemtemperatuur en vochtregime enigszins beperken. Ook het inbouwen van gewassen die relatief veel oogstresten nalaten (bv. granen, korrelmaïs) of het inpassen van tijdelijk grasland zorgt voor een substantiële aanvoer van organisch materiaal, een gunstig bodemklimaat, en zodoende een stijging in regenwormaantallen.
Link: C.2.2.3



[157]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen).
Het
afwisselen van ondiep en diep wortelende gewassen zorgt voor een betere bodemstructuur en een beperkter risico op erosie. Een ideaal gevarieerde teeltrotatie slaagt er bovendien in om het organische stofgehalte op peil te houden en het bodemleven te stimuleren, waardoor de aggregaatstabiliteit toeneemt en de draagkracht van de bodem verhoogt.
Link: C.2.2.2 en C.2.3.1
[158]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding.
Het
roteren van verschillende gewassen helpt ziekten en plagen te beheersen, in functie van hun mobiliteit en specificiteit. Teeltrotatie blijkt erg effectief te zijn als men te maken heeft met bodemgebonden, gewasspecifieke plagen (bv. aardappelcystenaaltje). Lang wachten om hier met hetzelfde gewas opnieuw te komen kan voldoende zijn om de plantenbeschadigers te verminderen in aantal of helemaal te doen verdwijnen, wegens gebrek aan een waardplant. Daarenboven zorgt de afwisseling van verschillende pesticiden voor een vertraagde resistentieontwikkeling. Vruchtwisseling helpt niet wanneer de schadeverwekkers mobiel en niet-gewasspecifief zijn.
Link: C.2.4.1
[159]
Een goede teeltrotatie kan het onkruidprobleem sterk reduceren, en leiden tot een afname van de zaadvoorraad in de bodem. Bepaalde onkruiden krijgen namelijk geen kans onder een specifiek gewas. Zo komen kiemplanten van onkruiden die vóór de winter kiemen (bv. duist, echte kamille) minder voor in zomergewassen, terwijl thermofiele onkruiden (dit zijn warmteminnende onkruiden, bv. zwarte nachtschade, melganzevoet) geen kans krijgen in een wintergewas.
Teeltrotatie betekent ook een afwisseling van herbiciden en zodoende een vertraging van het ontwikkelen van resistentie.
Link: C.2.4.1
[160]
Ondanks de positieve impact van een gevarieerde teeltrotatie op de gewasopbrengst, brengt een monocultuur doorgaans minder teeltkosten met zich mee. Meer gewassen vereisen immers meer machines, meer gewasbeschermingsmiddelen en een wijdere kennis. Samenwerking tussen verschillende bedrijven waarbij de vruchtwisseling over de verschillende bedrijven heen loopt kan een oplossing bieden.
Link: C.2.4.2
[161]
De ervaring leert dat het afwisselen van gewassen in de tijd een garantie is voor betere gewasprestaties. De gunstige invloed op de fysische,chemische en biologische bodemvruchtbaarheid vertaalt zich op termijn in een gezondere plant en hogere opbrengsten.
Deze ervaring zou echter nog beter onderbouwd kunnen worden door lange termijn proeven.
Link: C.2.4.2
[162]
Aardappelen en (suiker)bieten vormen een belangrijk aandeel van de akkerbouwgewassen in Nederland en Vlaanderen. Deze rooigewassen worden doorgaans geassocieerd met een relatief intensieve bodemverstoring.
Zie ook C.1.7

[163]
Aardappelen laten net als snijmaïs weinig organisch materiaal na onder de vorm van oogst- en rooiresten. Bovendien gaat de oogst van rooigewassen zoals aardappel en biet gepaard met een sterke verstoring van de bodem, wat op korte termijn een sterke afbraak van organische stof met zich meebrengt. Link: C.2.2.1
[164]
Heel regelmatig wordt het bietenloof op het veld gelaten. In dat geval dient rekening gehouden te worden met een vrij snelle mineralisatie van dit organisch materiaal.
Link: C.2.2.1
[165]
De effecten van de teeltkeuze op N-beschikbaarheid voor het volggewas worden voornamelijk bepaald door de voorafgaande stikstofopname van de teelt en de eventuele aanvoer van organische stikstof onder de vorm van oogst-  of rooiresten.
Aardappelen nemen tijdens hun ontwikkeling relatief weinig bodemstikstof op, maar laten ook weinig tot geen oogstresten na, waardoor er weinig stikstof ten goede komt van het volggewas. Bij bieten kan men wel een sterke stikstofnalevering verwachten wanneer het bietenloof op het veld achterblijft. Merk echter op dat na de bietenteelt de stikstofvoorraad in het bodemprofiel sterk uitgeput is: door hun diepe beworteling en hun lange vegetatieve groeiperiode nemen ze veel meer minerale stikstof op dan de meeste andere teelten.
Link: C.2.2.1
[166]
De beperkte beworteling van aardappelen maakt dat de aanwezige stikstof in de bodem niet optimaal benut wordt. Het relatief vroege oogsttijdstip laat echter nog de inzaai van een groenbedekker toe waardoor de stikstofuitspoeling beperkt kan worden.
In tegenstelling tot maïs, worden
bieten gekenmerkt door een gelijkmatige stikstofopname over het hele teeltseizoen. Daardoor kunnen bieten optimaal gebruik maken van de stikstof die geleidelijk vrijkomt uit de bodemreserve (via nawerking, voorvrucht, bemesting). Op die manier wordt, althans tijdens de teelt, de nitraatuitspoeling beperkt. Anderzijds moet rekening gehouden worden met een vrij snelle stikstofvrijstelling uit het achtergebleven bietenloof na de oogst. Bovendien verlaten bieten het veld laat op het seizoen (vaak tot november) wat de inzaai van een groenbedekker onmogelijk maakt. Zodoende is het risico op nitraatuitspoeling tijdens de winter vrij reeël.
Link: C.2.2.1
[167]
De teelt van aardappelen en bieten gaat gepaard met een intensieve verstoring van de bodem waardoor veel stabiele aggregaten rechtstreeks verloren gaan. Bovendien voegen deze teelten weinig organisch materiaal toe aan de bodem, waardoor de aggregaatstabiliteit achteruit gaat. Die organische stof heeft namelijk een cementerende werking en stimuleert een actief bodemleven, eveneens van belang bij het aaneenkitten van bodemdeeltjes.
Link: C.2.2.2
[168]
De oogst van bieten vindt laat op het seizoen plaats onder vaak slechte (natte) weersomstandigheden, waardoor de zware oogstmachines een aanzienlijke bodemverdichting teweeg brengen (zie "bodemverdichting").
De teelt van aardappelen vereist verschillende werkgangen en de oogst gebeurt eveneens met behulp van zware machines waardoor de kans op bodemverdichting toeneemt (zie "bodemverdichting"). Verder daalt ook het organische stofgehalte onder de teelt van aardappelen, wat eveneens resulteert in een toenmae van de bodemdichtheid. Organische stof heeft immers doorgaans een lagere densiteit waardoor bijmenging in de bodem zorgt voor een lagere bodemdichtheid.
Link: C.2.2.2
[169]
De effecten van teeltrotatie op de infiltratiesnelheid zijn hoofdzakelijk gerelateerd aan het type bewerking alsook kenmerken van het wortelstelsel van het gewas, de bodembedekking, de activiteit van het bodemleven en het organische stofgehalte van de bodem.
Onder de teelt van aardappelen gaat het organische stofgehalte en bijgevolg ook de activiteit van het bodemleven achteruit (gehele plant wordt geoogst) waardoor ook de infiltratiecapaciteit gaandeweg afneemt. Bovendien worden aardappelen in rijen geteeld wat de kans op run-off verhoogt.
Bieten kunnen door hun diepe beworteling wel een bijdrage leveren tot een verhoogde infiltratiecapaciteit.
Ook de intensieve bodembewerkingen gepaard gaande met de teelt van deze rooigewassen, kan de infiltratiecapaciteit verhogen, al is dit effect weinig duurzaam en slechts van tijdelijke aard. Nefast voor de infiltratie is dan weer het hoge risico op bodemverdichting door de inzet van zware machines.
Link: C.2.2.2
[170]
Het effect van teeltkeuze en -rotatie op verslemping wordt hoofdzakelijk bepaald door een drietal factoren:
- Het effect op het organische stofgehalte, dat samen met een actief bodemleven een belangrijke rol speelt in de binding van bodemdeeltjes en zodoende bijdraagt tot een verhoogde stabiliteit van de bodemaggregaten. Op die manier verhoogt de weerstand tegen verslemping.
- De (snelheid van) bodembedekking, die een rechtstreekse bescherming vormt tegen de inslag van regendruppels bij overvloedige neerslag, en zo het risico op verslemping doet dalen.
- De fijnheid van het zaaibed.
Aardappelen voegen echter weinig organisch materiaal aan de bodem toe en worden bovendien in rijen geteeld, met een beperkte bedekking tot gevolg. Hierdoor neemt het risico op verslemping toe.
Link: C.2.3.1
[171]
De oogst van bieten vindt laat op het seizoen plaats onder vaak slechte (natte) weersomstandigheden, waardoor de zware oogstmachines een aanzienlijke bodemverdichting teweeg kunnen brengen.
De teelt van
aardappelen vereist verschillende werkgangen en de oogst gebeurt eveneens met behulp van zware machines, waardoor de kans op bodemverdichting toeneemt. Ook de afname van het organische stofgehalte en verlaagde activiteit van het bodemleven dragen bij tot een minder stabiele en weerbare bodemstructuur en zodoende een verhoogd risico op versmering en verdichting.
Daartegenover staat dat de intensieve bodembewerking gepaard gaande met de introductie van een rooivrucht in de rotatie eventueel verdichte lagen kan doorbreken, al is dat schijnbaar positieve effect slechts van tijdelijke aard.
Link: C.2.3.1
[172]
Aardappelen en bieten scoren slecht op het vlak van erosiegevoeligheid. Daar zijn verschillende redenen voor:
- Deze gewassen worden geteeld in rijen.
- Vooral de periode tussen maart en juli wordt gekenmerkt door een hoog erosierisico op akkers met aardappelen en bieten, gezien de beperkte bedekking in die periode.
- De teelt van biet laat geen ruimte voor een groenbedekker na de oogst, waardoor de bodem tijdens de wintermaanden onbedekt blijft.
- De oogst van wortel- en knolgewassen resulteert ook in de export van aanzienlijke hoeveelheden grond van de akker.
Link: C.2.3.1
[173]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij doorgaans met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijker afbreekbaar organisch materiaal dat veel koolstof en relatief weinig stikstof bevat. Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan en kwaliteit van organisch materiaal.
Aardappelen brengen weinig organisch materiaal aan waardoor er weinig microbiële activiteit verwacht wordt. Bieten laten dan weer een aanzienlijke hoeveelheid makkelijk afbreekbare oogstresten achter, wat een stimulans voor de bacteriële populatie kan betekenen.
Link: C.2.2.3
[174]
Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn. Ook de bacteriële groeisnelheid ligt hoger onder eenjarige teelten wat wijst op de aanwezigheid van meer snelgroeiende bacteriën, die snel kunnen reageren op de meer onregelmatige input van organisch materiaal.
Verder speelt ook de kwaliteit van het organisch materiaal (van oogstresten) een rol: het snel afbreekbare en stikstofrijke organisch materiaal afkomstig van
bietenloof, stimuleert de bacteriële biomassa.
Link: C.2.2.3
[175]
De gewaskeuze binnen een teeltrotatie zorgt vermoedelijk voor een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities; omstandigheden die door de teelkeuze beïnvloed worden. Zo zouden onder akkerland vooral de bacterivore nematoden overheersen.
Voor specifieke gewassen zijn de effecten echter onvoldoende aangetoond met data van lange termijn experimenten.
Link: C.2.2.3

[176]
De aardappelteelt blijkt zeer nadelig te zijn voor regenwormen. Niet alleen blijven er na de oogst weinig oogstresten achter, deze teelt vereist ook meerdere, intensieve werkgangen en vaak een intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Ook de oogst zorgt voor een ernstige bodemverstoring die niet alleen de regenwormpopulatie schade toebrengt, maar ook de gangenstelsels vernietigt.
Bieten laten een aanzienlijke hoeveelheid oogstresten na op het veld maar de oogst van bieten vereist de verplaatsing van enorme hoeveelheden grond. Dit is nefast voor de regenwormpopulatie en het bijhorende gangestelsel.
Link: C.2.2.3
[177]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen).
De oogst van
bieten gebeurt laat op het jaar, met zware machines en vaak in minder goede (te natte) omstandigheden. De hieruit voortvloeiende schade aan de bodemstructuur is nefast voor de draagkracht van de bodem.
Aardappelen brengen weinig organisch materiaal aan, waardoor op termijn het organische stofgehalte en de activiteit van het bodemleven achteruit gaan. In combinatie met de intensieve bewerking gepaard gaande met de bouw van ruggen en het rooien van de aardappelen, zal dit gaandeweg resulteren in een verminderde draagkracht van de bodem.
Link: C.2.2.2 en C.2.3.1
[178]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding.
De belangrijkste ziekte in
aardappelen is de schimmelziekte Phytophtora infestans. Kenmerkend voor deze ziekte is dat ze in vatbare rassen in korte tijd, één à twee weken, in staat is het loof volledig te vernietigen. Ook de knollen kunnen worden aangetast, waardoor deze verrotten. In Vlaanderen bestaat het areaal voor een groot deel uit voor de ziekte zeer vatbare rassen. Daarom vindt tijdens de teelt een intensieve preventieve bestrijding plaats.
Bij
bieten vormen vooral het bietencystenaaltje, het Rhizomanievirus en de bodemschimmel Rhizoctonia een probleem. Een ruime vruchtwisseling en/of het verbouwen van resistente rassen geeft hier de beste resultaten.
Link: C.2.4.1

[179]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een relatief grote impact hebben op de onkruiddruk. Processen die daarbij van belang zijn, zijn ondermeer het voldoende afwisselen van gewassen, het vormen van een snelle bedekking en het zaaitijdstip.
In
aardappelen en bieten komen vooral lentekiemers aan bod zoals bv. varkensgras, melganzevoet, perzikkruid. Daarnaast verdienen in bieten ook schieters (onkruidbieten: dit zijn bieten die reeds in het eerste jaar overgaan tot zaadproductie) de nodige aandacht. Schieters die rijp zaad leveren, kunnen een serieuze bedreiging vormen voor de bietenteelt in de toekomst door het ontstaan van een groot onkruidprobleem. Het verbouwen van minder gevoelige rassen, een later oogsttijdstip of het kappen van de schieters vooraleer ze zaad kunnen produceren, kunnen hier een oplossing bieden.
Link: C.2.4.1
[180]
De teeltkosten voor deze rooigewassen liggen relatief hoog. Vooral aardappelen vereisen een intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (aardappelen zijn gevoelig aan Phytophthora, zie ziekte- en plaagdruk). Voor de diverse bespuitingen zijn meerdere werkgangen vereist, waardoor ook het brandstofverbruik oploopt. Het doodspuiten van het loof vraagt eveneens een extra werkgang.
Ook bij
bieten liggen de kosten voor gewasberschermingsmiddelen hoog. Bovendien gebeurt de oogst door zware machines in vaak minder gunstige (bv. te natte) omstandigheden waardoor ook de oogstkosten kunnen oplopen.
Daartegenover staat dat rooivruchten, zoals aardappelen en suikerbieten, gemiddeld een hoger globaal saldo (verschil tussen opbrengsten en teeltkosten) geven dan bv. granen of maïs.
Link: C.2.4.2
[181]
De impact van teeltrotatie op gewasopbrengst hangt grotendeels af van de samenstelling van die rotatie: de ervaring leert daarbij dat het afwisselen van gewassen in de tijd (in tegenstelling tot een monocultuur) een garantie is voor betere gewasprestaties.
Desalniettemin wordt de opbrengst van een gewas beïnvloed door een brede waaier aan andere factoren. Denk aan de weersomstandigheden, het bodemtype, de bemesting, de ziektedruk, de bodemkwaliteit, de vochtvoorziening in de bodem.
Sommige van deze factoren verschillen van jaar tot jaar, wat maakt dat ook de gewasopbrengsten onderhevig zijn aan schommelingen. Als alle factoren optimaal zijn, zullen maximale gewasopbrengsten bereikt worden.
Link: C.2.4.2
[182]
Graangewassen (met name tarwe en gerst) vormen een belangrijk aandeel van de akkerbouwgewassen in Nederland en Vlaanderen.
Ondanks de op dit moment relatief beperkte financiële opbrengst geassocieerd met deze graangewassen, zijn ze vanuit bodemkwalitatief standpunt doorgaans erg waardevol.

[183]
Graangewassen leveren veel organisch materiaal onder de vorm van oogst- en rooiresten. Ze hebben met andere woorden een lage oogstindex (verhouding tussen de hoeveelheid droge stof in de oogstbare producten en de totale hoeveelheid droge stof in de hele plant).
Daarnaast worden ze gekenmerkt door een hoge koolstof/stikstof verhouding, wat wijst op een langzame afbraak van het organisch materiaal, en dus een relatief lange verblijftijd in de bodem.
Alles samen kan dit resulteren in een s
tijging van het organische stofgehalte, ten minste indien de oogstresten niet afgevoerd worden.
Link: C.2.2.1
[184]
Stro van graangewassen wordt gekenmerkt door een hoge koolstof/stikstof (C/N)-verhouding. Het achterlaten en onderwerken van dit materiaal in de bodem kan hierdoor zorgen voor een tijdelijke stikstofvastlegging. Dit komt omdat het bodemleven de aanwezige stikstof uit de bodem nodig heeft om de in verhouding grotere hoeveelheid organische koolstof in het stro af te breken. Dit heet stikstofimmobilisatie. Na verloop van tijd komt deze geïmmobiliseerde stikstof terug vrij en dus ter beschikking van de plant.

Link: C.2.2.1
[185]
De effecten van de teeltkeuze op N-beschikbaarheid voor het volggewas worden voornamelijk bepaald door de voorafgaande stikstofopname van de teelt en de eventuele aanvoer van organische stikstof onder de vorm van oogst-  of rooiresten.
Ondanks het feit dat bij de teelt van
graangewassen vaak vrij veel gewasresten op het veld blijven liggen, bezitten die resten een hoge koolstof/stikstof (C/N)-verhouding. Het achterlaten en het inwerken van dit materiaal in de bodem kan hierdoor zorgen voor een tijdelijke stikstofvastlegging. Dit komt omdat het bodemleven de aanwezige stikstof uit de bodem nodig heeft om de in verhouding grotere hoeveelheid organische koolstof in het stro af te breken. Dit heet stikstofimmobilisatie. Na verloop van tijd komt deze geïmmobiliseerde stikstof terug vrij en dus ter beschikking van de plant.

Link: C.2.2.1
[186]
Met uitzondering van tarwe, hebben graangewassen geen extreme nutriëntenbehoeften. Door hun intensieve beworteling nemen ze heel wat stikstof uit het bodemprofiel op. Daarenboven gebeurt de oogst nog tijdens de zomermaanden, wat ruime mogelijkheden biedt voor het inzaaien van een groenbedekker. Dit alles resulteert in een relatief beperkt risico op nitraatuitspoeling.
Link: C.2.2.1
[187]
Graangewassen brengen een relatief grote hoeveelheid organisch materiaal aan onder de vorm van stro (al dan niet op het veld achtergelaten), graanstoppel en wortels. Die aanrijking leidt gaandeweg tot een behoud of opbouw van bodemorganische stof, en komt zo ten goede van de aggregaatstabiliteit. De organische stof heeft namelijk een cementerende werking en stimuleert een actief bodemleven, eveneens van belang bij het aaneenkitten van bodemdeeltjes.
Bovendien kan de oogst van graangewassen doorgaans onder gunstige omstandigheden gebeuren, waardoor geen ernstige verstoring van de bodemstructuur en de aggregaten optreedt.
Link: C.2.2.2
[188]
Graangewassen zorgen door hun input aan (relatief stabiel) organisch materiaal (stro, stoppel, wortels) voor het op peil houden of een stijging van het organisch stofgehalte in de bodem, tenminste indien de oogstresten op het veld achterblijven.  Aangezien organische stof doorgaans een lagere densiteit heeft, daalt hierdoor op langere termijn ook de bodemdichtheid. Bovendien gebeuren de oogstwerkzaamheden bij graangewassen in de zomer bij doorgaans gunstige weersomstandigheden, waardoor de kans op structuurschade eerder klein is.
Link: C.2.2.2
[189]
De effecten van teeltrotatie op de infiltratiesnelheid zijn hoofdzakelijk gerelateerd aan het type bewerking alsook kenmerken van het wortelstelsel van het gewas, de bodembedekking, de activiteit van het bodemleven en het organische stofgehalte van de bodem.
Graangewassen leveren veel (stabiel) organisch materiaal na aan de bodem (stro, stoppel, wortels). Indien de oogstresten op het veld achterblijven, resulteert dit op termijn in een hogere porositeit van de bodem en stabielere bodemstructuur, waardoor water en lucht gemakkelijker door de bodem dringen.  Ook het stimuleren van een actief bodemleven door organische stof is van tel. Denk bv. aan regenwormen die grote, vertikaal georiënteerde poriën creëren en zo een snelle waterinfiltratie garanderen. Daarnaast worden graangewassen gekenmerkt door een intensieve beworteling, zodat water gemakkelijk kan infiltreren.
Link: C.2.2.2
[190]
Het effect van teeltkeuze en -rotatie op verslemping wordt hoofdzakelijk bepaald door een drietal factoren:
- Het effect op het organische stofgehalte, dat samen met een actief bodemleven een belangrijke rol speelt in de binding van bodemdeeltjes en zodoende bijdraagt tot een verhoogde stabiliteit van de bodemaggregaten. Op die manier verhoogt de weerstand tegen verslemping.
- De (snelheid van) bodembedekking, die een rechtstreekse bescherming vormt tegen de inslag van regendruppels bij overvloedige neerslag, en zo het risico op verslemping doet dalen.
- De fijnheid van het zaaibed.
Graangewassen houden het organische stofgehalte op peil (aanzienlijke hoeveelheden oogstresten onder de vorm van stro, wortels en stoppels), kennen vrij goede wortelontwikkeling en zorgen voor een goede bodembedekking. Hierdoor neemt het risico op verslemping af.
Link: C.2.3.1


[191]
De oogstwerkzaamheden bij graangewassen vinden plaats in de late zomer bij doorgaans gunstige weersomstandigheden, waardoor de kans op structuurschade eerder klein is.
Graangewassen houden bovendien het organische stofgehalte en de activiteit van het bodemleven op peil, door de aanvoer van aanzienlijke hoeveelheden oogstresten onder de vorm van stro, wortels en stoppels. Mede hierdoor neemt de kans op versmering en verdichting af.
Link: C.2.3.1
[192]
Vooral wintergranen scoren zeer goed bij het voorkomen van erosie en verdichting. Een goede bedekkingsgraad is hier gegarandeerd vanaf het voorjaar (periode met de meest intensieve buien), en de vroege oogst kan doorgaans gebeuren onder gunstige weersomstandigheden (niet te nat). Ook kan er na de oogst nog een groenbedekker ingezaaid worden.
Tussen oktober en april is het erosierisico op wintergraanakkers echter vrij hoog, wegens de nog erg beperkte ontwikkeling.

Link: C.2.3.1
[193]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij doorgaans met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijker afbreekbaar organisch materiaal dat veel koolstof en relatief weinig stikstof bevat. Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan en kwaliteit van organisch materiaal.
Graangewassen leveren veel organisch materiaal na aan de bodem (stro, stoppel, wortels) wat ten goede komt aan het bodemleven, tenminste indien de oogstresten op het veld achterblijven.
Link: C.2.2.3
[194]
Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn. Ook de bacteriële groeisnelheid ligt hoger onder eenjarige teelten wat wijst op de aanwezigheid van meer snelgroeiende bacteriën, die snel kunnen reageren op de meer onregelmatige input van organisch materiaal.
Anderzijds speelt ook de kwaliteit van het organisch materiaal (van oogstresten) een rol: aangezien
stro van graangewassen relatief minder stikstof bevat en langzaam afbreekt, wordt de bacteriële biomassa hier minder gestimuleerd dan bv. het geval is met stikstofrijke oogstresten van groenten of bieten.
Link: C.2.2.3
[195]
Graangewassen leveren veel organisch materiaal na aan de bodem (stro, stoppel, wortels) wat ten goede komt van de regenwormenpopulatie, tenminste indien de oogstresten op het veld achterblijven.
De verstoring van de bodem bij de oogst is bovendien beperkt.
Link: C.2.2.3
[196]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen).
Graangewassen hebben een intensieve beworteling en zijn in staat om relatief grote hoeveelheden organisch materiaal aan de bodem toe te voegen, tenminste indien de resten op het veld achtergelaten worden. Dit resulteert doorgaans in een verhoogde draagkracht. Ook gebeurt de oogst doorgaans in goede (voldoende droge) omstandigheden, en dus op een moment waarop de draagkracht relatief groot is en de kans op structuurschade klein.
Link: C.2.3.1
[197]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding.
Wintertarwe kan door een groot aantal schimmelziekten worden aangetast: aarziekten (bv. aarfusarium), kiemschimmels (bv. stuifbrand), voetziekten (bv. Fusarium) en bladziekten (bv. meeldauw).
Daarnaast kunnen ook duiven, ganzen, slakken en bladluizen voor aanzienlijke schade zorgen.
Link: C.2.4.1
[198]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een relatief grote impact hebben op de onkruiddruk. Processen die daarbij van belang zijn, zijn ondermeer het voldoende afwisselen van gewassen, het vormen van een snelle bedekking en het zaaitijdstip.
In
wintergranen groeien winterannuellen. Dit zijn onkruiden die voor de winter kiemen, zoals bv. windhalm, duist of echte kamille. Onkruiden die pas in de lente kiemen (bv. melganzevoet, perzikkruid) krijgen geen kans onder een snel ontwikkelend wintergraan in de lente.
Link: C.2.4.1
[199]
De teeltkosten voor graangewassen liggen een pak lager dan bv. het geval is voor aardappelen. Anderzijds, als men het totale plaatje bekijkt, is de netto opbrengst (opbrengsten min teeltkosten) voor graangewassen laag in vergelijking met bv. suikerbieten en aardappelen, gezien de relatief lage verkoopsprijs per productie eenheid.
Link: C.2.4.2
[200]
Ook in een akkerbouwsysteem kan de tijdelijke inbouw van grasland in de teeltrotatie een waardevolle maatregel zijn. Met name de permanente bedekking, beworteling en aanvoer van organisch materiaal zijn vanuit bodemkwalitatief standpunt doorgaans erg interessant.
Link: C.2.5
[201]
De constante bedekking en beperkte verstoring van de bodem onder grasland zorgen samen met een constante input aan koolstof (onder de vorm van uitscheiddingsstoffen van wortels, afgestorven wortels en bladresten)  voor een graduele opbouw van organische koolstof onder grasland. Dit effect is met name sterk voor permanent grasland. Bij tijdelijk grasland is het effect echter van relatief korte duur: 1 à 2 jaar na scheuren/onderploegen is een groot deel van de organische stof opnieuw verloren door mineralisatie.
Link: C.2.2.1
[202]
Bij het scheuren/onderploegen van tijdelijk grasland ontstaat een plotse, snelle stikstofmineralistatie. Het volggewas dient zorgvuldig gekozen te worden: er is nood aan een stikstofbehoeftig gewas aangezien er bij het scheuren van grasland kans is op nitraatuitspoeling.
Link: C.2.2.1
[203]
Bij het scheuren/onderploegen van (tijdelijk) grasland wordt een groot deel van de organische stof, die gedurende een aantal jaar werd opgebouwd, op relatief korte tijd afgebroken via mineralisatie. Hierbij komen aanzienlijke hoeveelheden minerale stikstof vrij, die deels ten goede kunnen komen van het volggewas.
Link: C.2.2.1
[204]
Bij het scheuren/onderwerken van tijdelijk grasland komt een aanzienlijke hoeveelheid minerale stikstof vrij. Het risico op uitspoeling neemt op dat moment sterk toe. Om deze nageleverde stikstof efficiënt te gebruiken en te behoeden voor uitspoeling, dient het scheuren in het voorjaar plaats te vinden en kiest men na grasland bij voorkeur een gewas dat veel stikstof opneemt. Een goed voorbeeld is voederbiet, waarbij een diep wortelstelsel en lang groeiseizoen zorgen voor een goede exploitatie van minerale stikstof.
Link: C.2.2.1
[205]
Het inbouwen van grasland in de teeltrotatie garandeert een sterke organische stofopbouw, een constante bedekking van de bodem, sterke beworteling, een beperkte verstoring van de bodem en de opbouw van een actief bodemleven. Elk van deze resultaten draagt bij tot een verhoging van de aggregaatstabiliteit.
De organische stof en het actieve bodemleven spelen daarbij een belangrijke rol bij het aaneenkitten van bodemdeeltjes. Denk daarbij bv. aan de verbindingen die onstaan door de schimmeldraden, of de cementerende werking van stoffen afgescheiden door bacteriën en regenwormen.
Link: C.2.2.2
[206]
Het inbouwen van grasland in de teeltrotatie garandeert een sterke organische stofopbouw, een constante bedekking van de bodem, sterke beworteling, een beperkte verstoring van de bodem en de opbouw van een actief bodemleven. Elk van deze resultaten draagt bij tot een afname van de bodemdichtheid. Een verklaring ligt ondermeer in het feit dat de organische stof een laag soortelijk gewicht heeft waardoor bijmenging in de bodem zorgt voor een lagere bodemdichtheid. Daarnaast zorgt een toename in de regenwormpopulatie en -activiteit voor een uitgebreid gangenstelsel waardoor het poriënvolume toeneemt en de bodemdichtheid afneemt.
Link: C.2.2.2
[207]
Het invoeren van (tijdelijk) grasland in de rotatie betekent een verhoging van het organische stofgehalte, een stimulatie van het bodemleven (bv. meer regenwormen), een permanente bodembedekking en een verhoogde aggregaatstabiliteit. Samen met een intensieve beworteling zorgt dit voor een toename in porositeit en een betere infiltratie.
Zo zal een intensieve beworteling nieuwe poriën en dus infiltratiekanalen creëren. Op gelijkaardige manier draagt een actief bodemleven bij tot de vorming van natuurlijke poriën. Denk daarbij aan regenwormen die grote, vertikaal georiënteerde poriën creëren en zo een snelle waterinfiltratie garanderen. Organische stof zorgt dan weer voor een hogere porositeit van de bodem en stabielere bodemstructuur, waardoor water en lucht gemakkelijker door de bodem dringen. Indirect dient organische stof daarnaast ook als een bron van voedsel en energie voor een groot aantal bodemorganismen. Tot slot speelt ook de bodembedekking een prominente rol: een zodevormend gewas zoals gras beschermt de toplaag tegen verslemping en korstvorming, en vormt een barrière tegen snelle afvoer door run-off. Hierdoor heeft het water meer tijd om te infiltreren.
Link: C.2.2.2
[208]
Het invoeren van grasland in de rotatie betekent een verhoging van het organische stofgehalte en het stimuleren van een actief bodemleven. Beiden spelen een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes en dragen zodoende bij tot een verhoogde stabiliteit van de bodemaggregaten. Op die manier verhoogt de weerstand tegen verslemping. Nog belangrijker is de permanente bodembedekking, die een rechtstreekse bescherming vormt tegen de inslag van regendruppels bij overvloedige neerslag.
Hierdoor
daalt het risico op verslemping aanzienlijk.
Link: C.2.3.1
[209]
Het inbouwen van grasland in de teeltrotatie garandeert een sterke organische stofopbouw, een constante bedekking van de bodem, sterke beworteling, een beperkte verstoring van de bodem en de opbouw van een actief bodemleven. Elk van deze resultaten draagt bij tot een afname van het risico op versmering en verdichting.
Link: C.2.3.1
[210]
Grasland in de rotatie garandeert een goede bedekking van de bodem het jaar rond waardoor het risico op losmaken van bodempartikels door de inslag van regendruppels afneemt, en de snelheid van afstromend water beperkt wordt. Ondergronds koloniseert de intensieve beworteling van grasland het bodemprofiel, stijgt het organische stofgehalte en verhoogt de activiteit van het bodemleven. Dit alles zorgt voor een verhoogde waterdoorlatendheid en stabiliteit van aggregaten. Zodoende stijgt de weerstand tegen verslemping, afspoeling en erosie.
Link: C.2.3.1
[211]
Micro-organismen voeden zich met organisch materiaal en stellen daarbij nutriënten vrij. Bacteriën voeden zich daarbij over het algemeen met makkelijk afbreekbaar materiaal terwijl schimmels zich vooral richten op moeilijk afbreekbaar of dood organisch materiaal (bevat veel koolstof en weinig stikstof). Het effect van teeltkeuze en -rotatie op de grootte en de activiteit van de microbiële gemeenschap zal dus vooral afhangen van de input aan organisch materiaal.
Onder
grasland ligt de microbiële biomassa significant (tot twee maal) hoger dan onder akkerland. Het grasland zorgt immers voor een constante aanvoer van organisch materiaal onder de vorm van boven- en ondergrondse plantenresten. Ook de levende wortels van de grassen spelen hier een belangrijke rol, ondermeer door het afscheiden van suikers en hormonen.
Link: C.2.2.3
[212]
Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten.
Link: C.2.2.3
[213]
De gewaskeuze binnen een teeltrotatie zorgt vermoedelijk voor een verandering in de samenstelling van de nematodenpopulatie of dus een verschuiving tussen verschillende functionele groepen. Tussen verschillende soorten nematoden bestaat namelijk een enorme diversiteit aan voedingspatronen en voorkeur voor bepaalde fysieke leefcondities; omstandigheden die door de teelkeuze beïnvloed worden. Zo zouden onder akkerland vooral de bacterivore nematoden overheersen terwijl in permanent grasland relatief meer plantparasitaire (schadelijke) nematoden voorkomen. Ook de totale nematodenaantallen liggen meestal hoger onder permanent grasland. Dit in respons op het uitgebreide wortelstelsel onder grasland.
In welke mate deze effecten ook gelden voor een rotatie met
tijdelijk grasland, is onvoldoende duidelijk. Wellicht neemt dergelijk wisselbouwsysteem een tussenpositie in.
Link: C.2.2.3
[214]
Doorgaans is het aantal regenwormen heel wat hoger onder (permanent) grasland (400-1000 wormen/m²) dan onder akkerland (100-150 wormen/m²). Het grasland biedt immers een stabiele omgeving door de afwezigheid van bodembewerkingen en zorgt bovendien voor een overvloedig en relatief constant aanbod aan organisch materiaal (wortelresten en -uitscheidingsstoffen, afgestorven bovengrondse biomassa) dat dienst doet als voedselbron.
Tijdelijk grasland resulteert in gelijkaardige effecten, hoewel het scheuren en onderwerken ervan in korte tijd tot een sterke reductie van de wormenpopulatie kan leiden.
Link: C.2.2.3
[215]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid. De eventuele effecten van de teeltkeuze en -rotatie op die bewerkbaarheid worden voornamelijk bepaald door de bewerkingsintensiteit gerelateerd aan een bepaalde teelt en de impact op het bodemorganischestofgehalte (zie de daarvoor voorziene cellen).
Het
inbouwen van grasland in de teeltrotatie garandeert een sterke organische stofopbouw, een constante bedekking van de bodem, sterke beworteling, een beperkte verstoring van de bodem en de opbouw van een actief bodemleven. Elk van deze resultaten draagt bij tot een verhoging van de draagkracht en een zeer lage erosiegevoeligheid.
Link: C.2.2.2 en C.2.3.1
[216]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een erg belangrijke rol spelen in de ziekte- en plaagbestrijding.
Hoewel bodempathogenen, waaronder nematoden, vrij algemeen in de
graslandbodem voorkomen, wordt hieraan weinig aandacht besteed. Bodemgezondheid in grasland is in het algemeen geen belangrijk onderwerp en ook over schadedrempels zijn weinig gegevens bekend. Echter, wordt grasland geteeld in een vruchtwisseling met andere gewassen, dan kunnen er in de grond en oude graszode overblijvende larven van insecten in het volggewas soms problemen veroorzaken, zoals ritnaalden en emelten. Deze kunnen ook schade veroorzaken in onder andere maïs en aardappelen.
Link: C.2.4.1
[217]
Teeltkeuze en -rotatie kunnen een relatief grote impact hebben op de onkruiddruk. Processen die daarbij van belang zijn, zijn ondermeer het voldoende afwisselen van gewassen, het vormen van een snelle bedekking en het zaaitijdstip.
Het land voor vrij lange tijd
onder grasland leggen is één van de beste methoden om ernstige onkruidproblematiek aan te pakken. Zaden die niet erg lang kiemkrachtig blijven, verliezen hun kiemkracht tijdens de graslandperiode en komen in een volgende akkerfase niet meer voor. Het inpassen van tijdelijk grasland in een rotatie heeft als het ware een 'opruimeffect'.
Link: C.2.4.1
[218]
Het inbouwen van tijdelijk grasland in de rotatie brengt weinig kosten met zich mee. Na eenmalige aanleg kan het grasland voor verschillende jaren uitgebaat worden. Ook het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt tot een minimum herleid.
Het gebruik van minerale meststoffen is dan weer vergelijkbaar met dat van de gangbare akkerbouwgewassen. Anderzijds laat het inploegen van tijdelijk grasland wel toe om het volggewas te telen zonder input van minerale meststoffen.
Link: C.2.4.2
[219]
Een groenbedekker kan gedefinieerd worden als een gewas dat voor het in stand houden of verbeteren van de fysische, chemische en biologische bodemcondities wordt geteeld. Dit gewas levert in vele gevallen geen te verkopen of in de bedrijfsvoering te gebruiken product op.
Het algemene effect van de teelt van groenbedekkers wordt beschreven in de begeleidende tekstjes horende bij deze 1e rij "groenbedekkers". Specifieke karakteristieken en nuances voor grasachtigen, bladrijken en vlinderbloemigen, worden verder per type in kaart gebracht, indien relevant om te onderscheiden van de algemene trend. Voor soortspecifieke karakteristieken wordt verder verwezen naar
Bijlage I.
Link: C.3
[220]
Door de wortelontwikkeling en nadien het onderwerken van groenbedekkers, wordt organisch materiaal ingebracht in de bodem. Hoe omvangrijk en belangrijk die aanrijking is, hangt echter af van de beschouwde soort en omstandigheden, en wordt grotendeels bepaald door de biomassa die ontwikkeld wordt.
De aanrijking door groenbedekkers is doorgaans relatief laag ten aanzien van de bijdrage die door het inwerken van stro plaatsvindt.
Belangrijk en bepalend voor de verdeling tussen toplaag en ondergrond, is ook de manier waarop groenbedekkers in de bodem ingewerkt worden. Bij ploegen bestaat het risico dat alle organisch materiaal geconcentreerd wordt op één plaats, en zodoende een zure en slecht verterende anaerobe laag gevormd wordt in de ondergrond.
Link: C.3.2.1
[221]
Na vernietiging van de groenbedekker in het voorjaar, zal het ingewerkte organisch materiaal vrijgesteld worden aan afbraak. De extra aanvoer van organisch materiaal afkomstig van de groenbedekkers, zorgt dus voor een beduidende toename van de voorjaarsmineralisatie (in vergelijking met een situatie zonder groenbedekkers). De snelheid van deze afbraak hangt echter sterk af van het type groenbedekker, maar ook van de bodem en weersomstandigheden. Dit alles heeft een sterke invloed op ondermeer mogelijke nitraatuitspoeling en stikstofbeschikbaarheid voor het volggewas (zie de daarvoor voorziene cellen).
Link: C.3.3.3
[222]
De opname van stikstof door een groenbedekker tijdens de ontwikkeling varieert doorgaans tussen 20 en 100 kg stikstof (N) per ha, met extremen tussen 10 en 300 kg N/ha. Dit is afhankelijk van ondermeer de beschouwde soort groenbedekker, de bodem- en weersomstandigheden, de bodembewerking, het zaaitijdstip en de biomassa ontwikkeling.
Doorgaans zal de opgenomen stikstof terug vrijkomen na het vernietigen en onderwerken van de groenbedekker, waardoor het gedeeltelijk benut kan worden door het volggewas. Toch is het effect van groenbedekkers op stikstofbeschikbaarheid weinig eenduidig en doorgaans eerder beperkt. In een gemiddeld jaar is er sprake van een bescheiden winst aan stikstof in de orde van 5 tot 20 kg N/ha, met cijfers die kunnen oplopen tot 80 kg N/ha. Niet alleen de hoeveelheid, maar ook het tijdstip waarop de N-nalevering gebeurt is van groot belang. In principe kan het zelfs gebeuren dat de N uit ingewerkte groenbedekkers zo laat vrijkomt, dat ze niet ter beschikking komt van het volggewas. Dit gebeurt bv. vaak in het eerste jaar na toepassing van een groenbedekker gekenmerkt door een langzame vertering. Veel hangt af van het type groenbedekker, en het tijdstip van onderwerken: voor een optimale N-vrijggave gebeurt het inwerken liefst zo laat mogelijk, maar voor de meeste volggewassen best vóór half maart. Verder is er vaak sprake van "stratificatie": de stikstofhoeveelheid neemt dan geconcentreerd toe in de toplaag, terwijl er in de ondergrond zelfs een afname kan zijn.
Link: C.3.3.3
[223]
Door de inzaai van een groenbedekker na de oogst van het hoofdgewas, zal de vrijgestelde nitraatstikstof afkomstig van de mineralisatie gedeeltelijk opgenomen worden. Op die manier zal het nitraatgehalte in de bodem verminderen en de uitspoeling van nitraten naar het grondwater tijdens de herfst en winter dalen. Dit is één van de belangrijkste functies van de groenbedekker: geen enkele andere maatregel is zo efficiënt om uitspoeling te beperken.
De mate van opname is afhankelijk van ondermeer de beschouwde soort groenbedekker, de bodem- en weersomstandigheden, de bodembewerking, het zaaitijdstip, en de vegetatieve ontwikkeling. Voor een optimale ontwikkeling en dus maximale opname, dienen groenbedekkers minimum 2 groeimaanden te hebben, en is een vroege zaai sterk aan te raden.
Let op: na vernietigen en onderwerken van de groenbedekker in het voorjaar zullen de opgenomen nitraten terug vrijkomen. Het is belangrijk dat de volgteelt die dan (tijdig) opneemt, om vooralsnog uitspoeling te vermijden.
Link: C.3.3.3
[224]
De meeste groenbedekkers hebben een positieve impact op de organische stofhoeveelheid en het bodemleven. Die spelen een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes. Denk daarbij bv. aan de verbindingen die onstaan door de schimmeldraden, of de cementerende werking van stoffen afgescheiden door bacteriën en regenwormen. Op die manier dragen groenbedekkers bij aan een verhoogde aggregaatstabiliteit. De stabilisatie gebeurt snel en intens, maar is door de beperkte verblijftijd van groenbedekkers op het veld doorgaans van korte duur.
Link: C.3.2.3
[225]
De wortelontwikkeling van groenbedekkers draagt bij tot het behoud en de verbetering van de bodemstructuur, via de vele kleine kanaaltjes die op die manier gevormd worden. Hierdoor neemt ook het  poriënvolume toe (en daalt de bodemdichtheid).
Link: C.3.2.3 en en C.3.2.4
[226]
Een regelmatige toepassing van groenbedekkers leidt tot een hogere infiltratiecapaciteit, dankzij hun beworteling, die leidt tot een verbeterde bodemstructuur en toegenomen porositeit. Ook na het afsterven van de wortels maken de wortelkanalen verdere waterafvoer mogelijk.
Link: C.3.2.4
[227]
Groenbedekkers worden vaak beschouwd als een soort buffer die de bodem beschermt tegen vochtextremen. Ze beïnvloeden via diverse processen de waterhuishouding in de bodem. Enerzijds neemt de infiltratiecapaciteit toe door de toegenomen beworteling en porositeit. Anderzijds stijgt de vochtverdamping door transpiratie van de groenbedekker, en verdwijnt op die manier water uit de bodem. Met name in de ondergrond leidt die transpiratie tot een snellere opdroging in het voor- en najaar. De toplaag blijft echter langere tijd vochtig door de vegetatieve bedekking, die uitdroging belemmert. Dit kan de bewerkbaarheid in het gedrang brengen.
Link: C.3.2.4
[228]
Groenbedekkers worden vaak beschouwd als een soort buffer die de bodem beschermt tegen vochtextremen. Ze beïnvloeden via diverse processen de waterhuishouding in de bodem.
Enerzijds neemt de infiltratiecapaciteit toe door de toegenomen beworteling en porositeit, en blijft de toplaag langere tijd vochtig door de vegetatieve bedekking die opdroging belemmert.
Anderzijds stijgt de vochtverdamping door
transpiratie van de groenbedekker en verdwijnt op die manier water uit de bodem. Met name in de ondergrond leidt dit tot een snellere opdroging in het voor- en najaar. Op droogtegevoelige gronden en bij té extensief vochtgebruik, kan het voordeel van een snellere opdroging (en dus snellere bewerkbaarheid) omslaan in een nadeel, en ten koste gaan van de vochtvoorziening van het hoofdgewas. In dergelijke gevallen is tijdig inwerken van de groenbedekker de boodschap.

Link: C.3.2.4
[229]
De vegetatieve bedekking door groenbedekkers vormt een buffer ter bescherming tegen temperatuurextremen. Hoewel doorgaans positief, kan een te sterke vertraging van de opwarming in het voorjaar leiden tot een tragere opkomst van het volggewas.
Link: C.3.2.4
[230]
De toepassing van groenbedekkers resulteert doorgaans in een verbeterde bodemstructuur, een toegenomen aggregaatstabiliteit, een verhoogde porositeit door beworteling en dus ook een betere waterdoorlatendheid. Bovengronds ontstaat een goede bedekking van het oppervlak. Dit alles resulteert in een effectieve bescherming tegen verslemping (met name tijdens de winter). Vooral op slempgevoelige leem- en zandleembodems is dit potentieel van groot belang.
Link: C.3.3.1
[231]
De toepassing van groenbedekkers resulteert doorgaans in een verbeterde bodemstructuur, een toegenomen aggregaatstabiliteit, een verhoogde porositeit door beworteling en dus ook een betere waterdoorlatendheid. Bovengronds ontstaat bovendien een goede bedekking van het oppervlak. Dit alles lijkt te wijzen op een mogelijke bescherming tegen (ondiepe) verdichting. Toch werd de relatie tussen de toepassing van groenbedekkers en (risico op) bodemverdichting zelden rechtstreeks onderzocht.
Groenbedekkers kunnen waarschijnlijk niet alleen verdichting voorkomen, maar diep wortelende groenbedekkers kunnen ook ingezet worden om een bestaande verdichting op natuurlijke wijze terug op te heffen.
Link: C.3.3.1
[232]
Twee grote factoren beperken run-off en erosie onder groenbedekkers. Bovengronds bedekken groenbedekkers met hun bladerdek de bodem, waardoor het risico op losmaken van bodempartikels door de inslag van regendruppels afneemt, en de snelheid van afstromend water beperkt wordt. Ondergronds koloniseren groenbedekkers met hun wortelstelsel het bodemprofiel, en draagt de verbeterde bodemstructuur bij tot een verhoogde waterdoorlatendheid en stabiliteit van aggregaten. Zodoende stijgt de weerstand tegen verslemping, afspoeling en erosie. Naast de bescherming tegen waterosie, beperkt een groenbedekking de verstuiving van bodemdeeltjes bij hevige wind in de winter en het vroege voorjaar.
Link: C.3.3.2
[233]
Het ingewerkte organisch materiaal van groenbedekkers vormt een bron van voedsel en stimuleert zo een actief en divers bodemleven. Ook de plantenwortels van de nog levende groenbedekkers spelen een belangrijke rol, ondermeer door het afscheiden van suikers en hormonen.
Link: C.3.2.5
[234]
Hoewel afhankelijk van meerdere factoren (denk ook aan bemestingsregime en bodembewerking), zou elk gewas een specifieke schimmel/bacterie verhouding stimuleren. Doorgaans is het aandeel schimmels hoger onder permanente/meerjarige teelten, terwijl bij eenjarige gewassen de bacteriën dominant zijn.
Link: C.2.2.3
[235]
De teelt van groenbedekkers oefent ook op de nematoden (aaltjes) een belangrijk effect uit. Aandacht gaat daarbij voornamelijk uit naar de effecten op ziekteverwekkende (plantparasitaire) nematoden. Enerzijds kunnen groenbedekkers waardplanten zijn voor nematoden. Dat betekent dat ze een bron van voedsel zijn en zo een brug vormen tussen twee andere teelten. Anderzijds kunnen groenbedekkers ook onderdrukkend werken. Dat betekent dat ze bv. stoffen afscheiden die schadelijk zijn voor een bepaalde groep nematoden, en zo ziekteverwekking vermijden. De soort groenbedekker speelt hierin een doorslaggevende rol, en een groenbedekker die de ene aaltjesgroep bestrijdt, kan het probleem met een andere groep net versterken. Zie ook effect op ziekte- en plaagdruk.
Link: C.3.2.5
[236]
Groenbedekkers hebben een belangrijk, doorgaans stimulerend effect op de macrofauna. Groenbedekkers (en met name de bovengrondse bladmassa) vormen niet alleen een bron van voedsel, maar zorgen ook voor een bodembedekking en dus een interessant habitat. Anderzijds is ook een negatieve impact is mogelijk, door afscheiding van bepaalde giftige stoffen (bv. isothiocyanaten) kort na het afdoden en inwerken van de groenbedekker. Onderzoek toont echter aan dat de negatieve impact heel beperkt en soms volledig afwezig is. Dit effect neemt snel af, en kan beperkt worden door niet te ploegen: onder een niet-kerende bewerking komen minder isothiocyanaten vrij door een vlottere afbraak en snellere vervluchtiging.
Link: C.3.2.5
[237]
Bewerkbaarheid van de bodem wordt hier beschouwd in termen van draagkracht, erosiegevoeligheid en technische uitvoerbaarheid.
Wat de
technische uitvoerbaarheid betreft, zijn typische knelpunten gerelateerd aan de toepassing van groenbedekkers bv. de tijdige inzaai bij een late oogst van de teelt voorafgaand aan de groenbedekker, een efficiënte vernietiging en inwerking van groenbedekkers, en het feit dat bodembewerking in het najaar (vóór de inzaai van de groenbedekker) wegens tijdsgebrek vaak in ongunstig natte omstandigheden gebeurt.
De effecten van de teelt van groenbedekkers op de
draagkracht van de bodem werden dan weer zelden benadrukt in voorafgaande studies.
Enerzijds kan men veronderstellen dat een regelmatige toepassing van groenbedekkers een positieve impact heeft op de organische stofhoeveelheid en het bodemleven. Die spelen een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes, waardoor groenbedekkers bijdragen aan een verhoogde aggregaatstabiliteit en dus mogelijk leiden tot een grotere draagkracht.
Anderzijds kan de bewerkbaarheid van de bodem (tijdelijk) in het gedrang komen wanneer de toplaag of ondergrond onvoldoende snel uitdroogt, bv. als gevolg van een sterke bedekking of wanneer een te grote biomassa weggewerkt dient te worden.
Link: C.3.6 en C.3.7.3
[238]
Aandacht gaat voornamelijk uit naar de effecten van groenbedekkers op ziekteverwekkende (plantparasitaire) nematoden of aaltjes. Enerzijds kunnen groenbedekkers waardplanten zijn voor dergelijke nematoden. Dat betekent dat ze een bron van voedsel zijn en zo een brug vormen tussen twee teelten. Anderzijds kunnen groenbedekkers ook onderdrukkend werken. Dat betekent dat ze bv. stoffen afscheiden die schadelijk zijn voor een bepaalde groep nematoden, waardoor ziekteverwekking vermeden wordt. De soort groenbedekker speelt hierin een doorslaggevende rol, en een groenbedekker die de ene aaltjesgroep bestrijdt, kan het probleem met een andere groep net versterken. Algemeen wordt afgeraden een groenbedekker uit te zaaien die tot dezelfde familie behoort als de volgteelt. Voor een meer gedetailleerd overzicht wordt verwezen naar de website www.aaltjesschema.nl. Voor een efficiënt aaltjesreducerend effect is niet alleen de soortkeuze belangrijk, maar moet ook de groeiperiode van de groenbedekker voldoende lang zijn, en de bodemtemperatuur en -vochtigheid voldoende hoog.
Link: C.3.4.1
[239]
Zeker op korte termijn kunnen bij de teelt van groenbedekkers extra problemen optreden, vooral met slakken, vanwege het voedselaanbod en de beschutting. Dit negatieve effect kan beperkt worden door het kiezen voor een vorstgevoelige groenbedekker, het vroeg inwerken, en het hanteren van een beperkte zaaidichtheid. Ook het uitvoeren van een lichte grondbewerking geeft door een snellere opkomst van het volggewas minder kans op schade door slakken.
Link: C.3.4.1
[240]
Diverse processen leiden tot variabele resultaten. Enerzijds kunnen groenbedekkers onkruidonderdrukkend werken door het belemmeren van de kieming van onkruid. Dit is het gevolg van competitie voor ruimte en voedingsstoffen, of het afscheiden van bepaalde schadelijke stoffen door de groenbedekker (te beschouwen als een soort "natuurlijke herbiciden", men spreekt van een "allelopatisch" effect). Anderzijds kunnen groenbedekkers leiden tot een sterkere onkruidontwikkeling door het bemoeilijken van onkruidbehandeling of door opslag uit gewasresten of zaad van de groenbedekker zelf.
Link: C.3.4.1
[241]
Het telen van groenbedekkers brengt heel wat (extra) kosten met zich mee: denk aan de kost voor het zaaien, het zaaizaad, de eventuele N-bijbemesting, het eventuele doodspuiten en het onderwerken. Afhankelijk van de soort groenbedekker, de zaaidichtheid, de types bewerking en de bewerkingsomstandigheden, varieert de totale kostprijs vermoedelijk tussen de 100 en 250 €/ha.
Anderzijds kunnen groenbedekkers ook een besparing betekenen op vlak van bemesting, met name bij gebruik van vlinderbloemigen. Ook compensaties in de vorm van subsidies spelen een belangrijke rol.
Men mag echter ook de vele indirecte voordelen en besparingen niet uit het oog verliezen: beperking van het nitraatresidu, minder erosie, betere bodemstructuur. Daarnaast leveren groenbedekkers soms een extra voedersnede, of zouden ze geteeld kunnen worden als energiegewas. Het is vaak moeilijk deze voordelen in economische termen uit te drukken. Doordachte bedrijfsvoering kan een groot verschil uitmaken in de kostenefficiëntie bij de toepassing van groenbedekkers.
Link: C.3.4.2
[242]
Verschillende effecten van groenbedekkers kunnen een positieve impact op de opbrengst van de hoofdteelt hebben. Denk bv. aan de verbeterde bodemstructuur, de extra N-beschikbaarheid, de verminderde run-off en erosie. In verschillende veldproeven kon een dergelijke (lichte) opbrengststijging aangetoond worden, en dit voor meerdere groenbedekkers en hoofdteelten. Toch leidt de toepassing van groenbedekkers soms ook tot opbrengstderving of oogstproblemen. Denk daarbij bv. aan de toxische stoffen die kunnen vrijkomen na het inwerken van de groenbedekker, de competitie tussen groenbedekker en hoofdteelt bij onderzaai, de vertraagde opdroging van de bodem, of de veronkruiding door opslag uit zaad of gewasresten van de groenbedekker. Globaal kan men uit voorgaande ervaring concluderen dat voor de meeste groenbedekkers de effecten doorgaans beperkt of afwezig zijn, mits een goede soortenkeuze en een goed beheer.
Link: C.3.4.2
[243]
Van deze groenbedekkers worden vaak Italiaans of Engels raaigras gebruikt, en minder frequent ook Westerwolds raaigras, rogge of haver.
Link: C.3.5.1 en Bijlage I
[244]
Door de wortelontwikkeling en nadien het onderwerken van groenbedekkers, wordt organisch materiaal ingebracht in de bodem.
De organische stofvoorziening van de bodem is bij grasachtigen aanzienlijk, ondermeer dankzij de intensieve en homogene beworteling. Bovendien is de hoeveelheid effectieve organische stof (organische stof die 1 jaar na inwerken nog aanwezig is in de bodem) voor grasachtigen hoog in vergelijking met bv. bladrijken. Het is die effectieve organische stof die uiteindelijk bijdraagt aan de opbouw van de voorraad in de bodem.
Link: C.3.2.1
[245]
De organische stofvoorziening van de bodem is bij grasachtigen aanzienlijk, ondermeer dankzij de intensieve en homogene beworteling. Bovendien is de hoeveelheid effectieve organische stof (organische stof die 1 jaar na inwerken nog aanwezig is in de bodem) voor grasachtigen hoog in vergelijking met bv. bladrijken. Het is die effectieve organische stof die uiteindelijk bijdraagt aan de opbouw van de voorraad in de bodem. De aanrijking in de ondergrond is wel steeds relatief lager dan die in de toplaag.
Link: C.3.2.1
[246]
De extra aanvoer van organisch materiaal afkomstig van de groenbedekkers, zorgt voor een beduidende toename van de voorjaarsmineralisatie. De snelheid van deze afbraak hangt echter sterk af van het type groenbedekker, en verloopt bij grasachtigen doorgaans erg langzaam.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.1
[247]
Doorgaans zal de opgenomen stikstof terug vrijkomen na het vernietigen en onderwerken van de groenbedekker, waardoor het gedeeltelijk benut kan worden door het volggewas. Toch is het effect van groenbedekkers op stikstofbeschikbaarheid weinig eenduidig en doorgaans eerder beperkt.
De stikstofopname verloopt bij
grasachtigen vaak langzaam, maar loopt verder tijdens en na de winter, aangezien grasachtigen doorgaans resistent zijn tegen vorst. Hierdoor kan de totale opname erg groot zijn wanneer de groenbedekker voldoende lang op het veld blijft staan.
Typisch voor grasachtigen is verder de vrij late stikstofvrijstelling na onderwerken, door de langzame vertering van het plantmateriaal.
Hierdoor kan de stikstofbeschikbaarheid zelf dalen, zeker in het eerste jaar van toepassing van de groenbedekker.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.1
[248]
De opname van nitraatstikstof door de groenbedekker zal het nitraatgehalte in de bodem doen dalen en zodoende de uitspoeling van nitraten naar het grondwater tijdens de herfst en winter beperken. Grasachtige groenbedekkers worden gekenmerkt door een vrij langzame stikstofopname, die echter lang kan doorlopen  tijdens en na de winter, aangezien grasachtigen doorgaans resistent zijn tegen vorst. Hierdoor kan de totale opname erg groot zijn wanneer de groenbedekker voldoende lang op het veld blijft staan.
Link: C.3.3.3
[249]
De meeste groenbedekkers hebben een positieve impact op de organische stofhoeveelheid en het bodemleven. Die spelen een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes. Denk daarbij bv. aan de verbindingen die onstaan door de schimmeldraden, of de cementerende werking van stoffen afgescheiden door bacteriën en regenwormen. Op die manier dragen groenbedekkers bij aan een verhoogde aggregaatstabiliteit.
Daarnaast heeft ook de intensieve doorworteling van
grasachtigen doorgaans een zeer gunstige invloed op de bodemstructuur en stabiliteit.
Link: C.3.2.3
[250]
Door de intensieve doorworteling hebben grasachtigen doorgaans een zeer gunstige invloed op de bodemstructuur en porositeit, via de vele kleine kanaaltjes die op die manier gevormd worden.
Link: C.3.2.3 en C.3.2.4

[251]
Grasachtigen worden doorgaans gekenmerkt door een vrij oppervlakkige maar erg intensieve doorworteling. De vele kleine kanaaltjes die op die manier gevormd worden, betekenen een verhoging van de infiltratiecapaciteit van de bodem.
Link: C.3.2.4
[252]
Groenbedekkers beïnvloeden via diverse processen de waterhuishouding in de bodem.
Enerzijds neemt de infiltratiecapaciteit toe door de toegenomen beworteling en porositeit, en blijft de toplaag langere tijd vochtig door de vegetatieve bedekking die opdroging belemmert.
Anderzijds stijgt de vochtverdamping door transpiratie van de groenbedekker en verdwijnt op die manier water uit de bodem. Met name
in de ondergrond leidt dit tot een snellere opdroging in het voor- en najaar.
Een aantal
grasachtigen, waaronder snijrogge, Italiaans raaigras en triticale, worden gekenmerkt door een sterk waterverbruik. Dit kan ten koste gaan van de watervoorziening van de volgteelt. In dergelijke gevallen is tijdig inwerken aan te raden.
Link: C.3.2.4
[253]
De toepassing van groenbedekkers resulteert doorgaans in een verbeterde bodemstructuur, een toegenomen aggregaatstabiliteit, een verhoogde porositeit door beworteling en dus ook een betere waterdoorlatendheid. Bovengronds ontstaat een goede bedekking van het oppervlak.
Vooral
grasachtige groenbedekkers hebben door hun fijne en intensieve beworteling een gunstige invloed op bodemstructuur en porositeit, en zodoende dus ook op de bescherming tegen verslemping van de bodem.
Link: C.3.3.1
[254]
De toepassing van groenbedekkers resulteert doorgaans in een verbeterde bodemstructuur, een toegenomen aggregaatstabiliteit, een verhoogde porositeit door beworteling en dus ook een betere waterdoorlatendheid. Bovengronds ontstaat bovendien een goede bedekking van het oppervlak. Dit alles lijkt te wijzen op een mogelijke bescherming tegen (ondiepe) verdichting. Toch werd de relatie tussen de toepassing van groenbedekkers en (risico op) bodemverdichting zelden rechtstreeks onderzocht.
Groenbedekkers kunnen waarschijnlijk niet alleen verdichting voorkomen, maar diep wortelende groenbedekkers kunnen ook ingezet worden om een bestaande verdichting op natuurlijke wijze terug op te heffen.
Link: C.3.3.1
[255]
Zeker op korte termijn kunnen bij de teelt van groenbedekkers extra problemen optreden, vooral met slakken, vanwege het voedselaanbod en de beschutting. Dit negatieve effect kan beperkt worden door het kiezen voor een vorstgevoelige groenbedekker.
Met uitzondering van haver, is de aantrek van
grasachtige groenbedekkers voor slakken sterk tot heel sterk.
Link: C.3.4.1
[256]
De onkruiddruk bij toepassing van grasachtige groenbedekkers kan vrij groot worden:
- De bodembedekking verloopt vrij langzaam. Onkruidonderdrukking, hoewel sterk, komt hierdoor vaak vrij laat tot stand.
- De kans op opslag uit gewasresten van de groenbedekker zelf is doorgaans vrij groot.
Link: C.3.4.1
[257]
Het telen van groenbedekkers brengt heel wat (extra) kosten met zich mee: denk aan de kost voor het zaaien, het zaaizaad, de eventuele N-bijbemesting, het eventuele doodspuiten en het onderwerken. Anderzijds kunnen groenbedekkers ook een besparing betekenen op vlak van bemesting, met name bij gebruik van vlinderbloemigen. Ook compensaties in de vorm van subsidies spelen een belangrijke rol.
Men mag echter ook de vele indirecte voordelen en besparingen niet uit het oog verliezen: beperking van het nitraatresidu, minder erosie, betere bodemstructuur. Daarnaast leveren groenbedekkers soms een extra voedersnede, of zouden ze geteeld kunnen worden als energiegewas.
Verschillende
grassoorten, zoals Italiaans raaigras, winterrogge of triticale, kunnen een kwaliteitsvolle voedersnede opleveren. Dit betekent een (gedeeltelijke) compensatie voor de extra kosten die gepaard gaan met de teelt van groenbedekkers, en die variëren tussen 100 en 250 €/ha.
Link: C.3.4.2
[258]
Vaak zijn dit kruisbloemigen. Regelmatig gebruikte soorten in onze contreien zijn gele mosterd, bladrammenas, facelia en bladkool.
Link: C.3.5.2 en Bijlage I
[259]
Door de wortelontwikkeling en nadien het onderwerken van groenbedekkers, wordt organisch materiaal ingebracht in de bodem. De bijdrage aan de opbouw van het organische koolstofgehalte is voor bladrijken eerder beperkt,door de beperkte (wortel)biomassa en de snelle vertering na het onderwerken.
Link: C.3.2.1 en C.3.5.2
[260]
De extra aanvoer van organisch materiaal afkomstig van de groenbedekkers, zorgt voor een beduidende toename van de voorjaarsmineralisatie. De snelheid van deze afbraak hangt echter sterk af van het type groenbedekker, en verloopt bij bladrijken doorgaans erg snel.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.2

[261]
Doorgaans zal de opgenomen stikstof terug vrijkomen na het vernietigen en onderwerken van de groenbedekker, waardoor het gedeeltelijk benut kan worden door het volggewas. Toch is het effect van groenbedekkers op stikstofbeschikbaarheid weinig eenduidig en doorgaans eerder beperkt.
Bladrijken worden gekenmerkt door een doorgaans vrij hoge stikstofopname tijdens ontwikkeling, en een snelle vertering na onderwerken. De eerder opgenomen stikstof wordt dus vroeg vrijgesteld.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.2
[262]
De opname van nitraatstikstof door de groenbedekker zal het nitraatgehalte in de bodem doen dalen en zodoende de uitspoeling van nitraten naar het grondwater tijdens de herfst en winter beperken. Bladrijken worden gekenmerkt door een snelle beginontwikkeling, uitgesproken bovengrondse groei, een diepe wortelontwikkeling, en zodoende een snelle en aanzienlijke stikstofopname.
Link: C.3.3.3
[263]
De meeste groenbedekkers hebben een positieve impact op de organische stofhoeveelheid en het bodemleven. Die spelen een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes. Denk daarbij bv. aan de verbindingen die onstaan door de schimmeldraden, of de cementerende werking van stoffen afgescheiden door bacteriën en regenwormen. Op die manier dragen groenbedekkers bij aan een verhoogde aggregaatstabiliteit. De stabilisatie gebeurt snel en intens, maar is door de beperkte verblijftijd van groenbedekkers op het veld doorgaans van korte duur.
Link: C.3.2.3
[264]
Daar waar grasachtigen gekenmerkt worden door een intensieve maar oppervlakkige doorworteling, hebben bladrijken doorgaans een minder dens maar wel diepgaand wortelstelsel, vaak met een duidelijke penwortel. Ook bladrijken verhogen op die manier de porositeit.
Link: C.3.2.3 en C.3.2.4
[265]
Daar waar grasachtigen gekenmerkt worden door een intensieve maar oppervlakkige doorworteling, hebben bladrijken doorgaans een minder dens maar wel diepgaand wortelstelsel, vaak met een duidelijke penwortel. De diepe, vertikale kanalen die op die manier ontstaan, kunnen water op een snelle en efficiënte manier afvoeren.
Link: C.3.2.4
[266]
Groenbedekkers beïnvloeden via diverse processen de waterhuishouding in de bodem.
Enerzijds neemt de infiltratiecapaciteit toe door de toegenomen beworteling en porositeit, en blijft de toplaag langere tijd vochtig door de vegetatieve bedekking die opdroging belemmert.
Anderzijds stijgt de vochtverdamping door transpiratie van de groenbedekker en verdwijnt op die manier water uit de bodem. Met name
in de ondergrond leidt dit tot een snellere opdroging in het voor- en najaar.
Op droogtegevoelige gronden en bij té extensief vochtgebruik, kan een snellere opdroging ten koste gaan van de vochtvoorziening van het hoofdgewas. In dergelijke gevallen is tijdig inwerken van de groenbedekker de boodschap.

Link: C.3.2.4
[267]
De toepassing van groenbedekkers resulteert doorgaans in een verbeterde bodemstructuur, een toegenomen aggregaatstabiliteit, een verhoogde porositeit door beworteling en dus ook een betere waterdoorlatendheid. Bovengronds ontstaat een goede bedekking van het oppervlak. Dit alles resulteert in een effectieve bescherming tegen verslemping (met name tijdens de winter). Vooral op slempgevoelige leem- en zandleembodems is dit potentieel van groot belang.
Link: C.3.3.1
[268]
Groenbedekkers hebben niet enkel een preventieve functie op vlak van verdichting: diepwortelende groenbedekkers (zoals verschillende bladrijken) kunnen ook ingezet worden om een bestaande verdichting op natuurlijke wijze terug op te heffen.
Link: C.3.3.1
[269]
Zeker op korte termijn kunnen bij de teelt van groenbedekkers extra problemen optreden, vooral met slakken, vanwege het voedselaanbod en de beschutting. Dit negatieve effect kan beperkt worden door het kiezen voor een vorstgevoelige groenbedekker.
Zodoende is de aantrek van
bladrijke groenbedekkers voor slakken  beperkt voor vorstgevoelige soorten zoals gele mosterd of bladrammenas, maar sterk voor bv. koolzaad.
Link: C.3.4.1
[270]
De onkruiddruk bij toepassing van bladrijke groenbedekkers is doorgaans eerder beperkt:
- Door de doorgaans snelle bodembedekking is de onderdrukking vaak efficiënt.
- Opslag uit zaad of gewasresten van de groenbedekker zelf is variabel en soortafhankelijk.
Link: C.3.4.1
[271]
Het telen van groenbedekkers brengt heel wat (extra) kosten met zich mee: denk aan de kost voor het zaaien, het zaaizaad, de eventuele N-bijbemesting, het eventuele doodspuiten en het onderwerken. Anderzijds kunnen groenbedekkers ook een besparing betekenen op vlak van bemesting, met name bij gebruik van vlinderbloemigen. Ook compensaties in de vorm van subsidies spelen een belangrijke rol.
Men mag echter ook de vele indirecte voordelen en besparingen niet uit het oog verliezen: beperking van het nitraatresidu, minder erosie, betere bodemstructuur. Daarnaast leveren groenbedekkers soms een extra voedersnede, of zouden ze geteeld kunnen worden als energiegewas. Het is vaak moeilijk deze voordelen in economische termen uit te drukken. Doordachte bedrijfsvoering kan een groot verschil uitmaken in de kostenefficiëntie bij de toepassing van groenbedekkers.
Link: C.3.4.2
[272]
Van de vlinderbloemigen worden klaversoorten wellicht meest gebruikt. Minder gekend maar zeer interessant zijn bv. wikke en lupine. Kenmerkend voor vlinderbloemigen is hun stikstoffixerend vermogen: ze zijn in staat om N uit de lucht vast te leggen.
Link: C.3.5.2 en Bijlage I
[273]
Net als voor andere groenbedekkers het geval is, wordt door de wortelontwikkeling en nadien het onderwerken van vlinderbloemigen organisch materiaal ingebracht in de bodem.
Link: C.3.2.1
[274]
Net als voor andere groenbedekkers het geval is, wordt door de wortelontwikkeling en nadien het onderwerken van vlinderbloemigen organisch materiaal ingebracht in de bodem. De aanrijking in de ondergrond is wel doorgaans relatief lager dan die in de toplaag.
Link: C.3.2.1
[275]
De extra aanvoer van organisch materiaal afkomstig van de groenbedekkers, zorgt voor een beduidende toename van de voorjaarsmineralisatie. De snelheid van deze afbraak hangt echter sterk af van het type groenbedekker, en verloopt bij vlinderbloemigen doorgaans erg snel.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.3

[276]
Doorgaans zal de opgenomen stikstof terug vrijkomen na het vernietigen en onderwerken van de groenbedekker, waardoor het gedeeltelijk benut kan worden door het volggewas. Toch is het effect van groenbedekkers op stikstofbeschikbaarheid weinig eenduidig en doorgaans eerder beperkt.
Maar in tegenstelling tot andere groenbedekkers wordt bij
vlinderbloemigen extra stikstof gefixeerd. Dit betekent dat ze met behulp van Rhizobium-bacteriën stikstof uit de lucht kunnen vastleggen en opnemen. Bovendien kennen vlinderbloemigen een snelle vertering en dus snelle en grote vrijstelling van eerder opgenomen stikstof.
Link: C.3.3.3 en C.3.5.3
[277]
De opname van nitraatstikstof door de groenbedekker zal het nitraatgehalte in de bodem doen dalen en zodoende de uitspoeling van nitraten naar het grondwater tijdens de herfst en winter beperken. De stikstofopname-efficiëntie is echter lager voor een vlinderbloemige, omdat er ook sprake is van rechtstreekse stikstoffixatie uit de lucht. Minder opname betekent een groter risico op nitraatverliezen.
Link: C.3.3.3
[278]
De meeste groenbedekkers hebben een positieve impact op de organische stofhoeveelheid en het bodemleven. Die spelen een belangrijke rol in de binding van bodemdeeltjes. Denk daarbij bv. aan de verbindingen die onstaan door de schimmeldraden, of de cementerende werking van stoffen afgescheiden door bacteriën en regenwormen. Op die manier dragen groenbedekkers bij aan een verhoogde aggregaatstabiliteit. De stabilisatie gebeurt snel en intens, maar is door de beperkte verblijftijd van groenbedekkers op het veld doorgaans van korte duur.
Link: C.3.2.3
[279]
De wortelontwikkeling van groenbedekkers draagt bij tot het behoud en de verbetering van de bodemstructuur, via de vele kleine kanaaltjes die op die manier gevormd worden. Hierdoor neemt ook het  poriënvolume toe (en daalt de bodemdichtheid).
Link: C.3.2.3 en en C.3.2.4

[280]
Een regelmatige toepassing van groenbedekkers leidt tot een hogere infiltratiecapaciteit, dankzij hun beworteling, die leidt tot een verbeterde bodemstructuur en toegenomen porositeit. Ook na het afsterven van de wortels maken de wortelkanalen verdere waterafvoer mogelijk.
Link: C.3.2.4
[281]
Groenbedekkers beïnvloeden via diverse processen de waterhuishouding in de bodem.
Enerzijds neemt de infiltratiecapaciteit toe door de toegenomen beworteling en porositeit, en blijft de toplaag langere tijd vochtig door de vegetatieve bedekking die opdroging belemmert.
Anderzijds stijgt de vochtverdamping door transpiratie van de groenbedekker en verdwijnt op die manier water uit de bodem. Met name
in de ondergrond leidt dit tot een snellere opdroging in het voor- en najaar.
Op droogtegevoelige gronden en bij té extensief vochtgebruik, kan een snellere opdroging ten koste gaan van de vochtvoorziening van het hoofdgewas. In dergelijke gevallen is tijdig inwerken van de groenbedekker de boodschap.

Link: C.3.2.4
[282]
De toepassing van groenbedekkers resulteert doorgaans in een verbeterde bodemstructuur, een toegenomen aggregaatstabiliteit, een verhoogde porositeit door beworteling en dus ook een betere waterdoorlatendheid. Bovengronds ontstaat een goede bedekking van het oppervlak. Dit alles resulteert in een effectieve bescherming tegen verslemping (met name tijdens de winter). Vooral op slempgevoelige leem- en zandleembodems is dit potentieel van groot belang.
Link: C.3.3.1
[283]
De toepassing van groenbedekkers resulteert doorgaans in een verbeterde bodemstructuur, een toegenomen aggregaatstabiliteit, een verhoogde porositeit door beworteling en dus ook een betere waterdoorlatendheid. Bovengronds ontstaat bovendien een goede bedekking van het oppervlak. Dit alles lijkt te wijzen op een mogelijke bescherming tegen (ondiepe) verdichting. Toch werd de relatie tussen de toepassing van groenbedekkers en (risico op) bodemverdichting zelden rechtstreeks onderzocht.
Groenbedekkers kunnen waarschijnlijk niet alleen verdichting voorkomen, maar diep wortelende groenbedekkers kunnen ook ingezet worden om een bestaande verdichting op natuurlijke wijze terug op te heffen.
Link: C.3.3.1
[284]
Zeker op korte termijn kunnen bij de teelt van groenbedekkers extra problemen optreden, vooral met slakken, vanwege het voedselaanbod en de beschutting. Dit negatieve effect kan beperkt worden door het kiezen voor een vorstgevoelige groenbedekker.
De aantrek van
vlinderbloemige groenbedekkers voor slakken is matig (bv. wikken en lupine) tot sterk (bv. klavers).
Link: C.3.4.1
[285]
Vlinderbloemige groenbedekkers leiden zelden tot opslag uit zaad of gewasresten van de groenbedekker zelf.
Link: C.3.4.1
[286]
Het telen van groenbedekkers brengt heel wat (extra) kosten met zich mee: denk aan de kost voor het zaaien, het zaaizaad, de eventuele N-bijbemesting, het eventuele doodspuiten en het onderwerken. Anderzijds kunnen groenbedekkers ook een besparing betekenen op vlak van bemesting, met name bij gebruik van vlinderbloemigen. Ook compensaties in de vorm van subsidies spelen een belangrijke rol.
Men mag echter ook de vele indirecte voordelen en besparingen niet uit het oog verliezen: beperking van het nitraatresidu, minder erosie, betere bodemstructuur. Daarnaast leveren groenbedekkers soms een extra voedersnede, of zouden ze geteeld kunnen worden als energiegewas.
Meer dan andere groenbedekkers, kan de teelt van
vlinderbloemigen een aanzienlijke besparing op de N-bemesting opleveren. Dit betekent alvast een gedeeltelijke compensatie voor de extra kosten die gepaard gaan met de teelt van groenbedekkers, en die variëren tussen 100 en 250 €/ha.
Link: C.3.4.2
[287]
Onder meststoffen worden deze stoffen verstaan die voedingsstoffen leveren aan de plant of de bodem. Daarnaast kunnen deze stoffen ook een bodemverbeterende werking hebben. Een onderscheid wordt hier gemaakt tussen minerale mest, dierlijke meststoffen en compost.
Link: C.4
[288]
Het aantal bacterie-etende nematoden en soms ook de plantenetende nematoden zijn het meest talrijk in landbouwbodems. Dit is normaal in verstoorde gronden. Er wordt verwacht dat bemesting eerder een impact heeft op de nematodengemeenschap dan op het aantal nematoden. Het relatieve aandeel bacterie-etende nematoden zou toenemen bij het toedienen van meststoffen met veel minerale stikstof en gemakkelijk afbreekbaar organisch materiaal (drijfmest). Het relatieve aandeel schimmeletende nematoden zou toenemen bij het toedienen van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal (compost, stalmest). Data van lange termijn experimenten wijzen echter uit dat verschillen tussen bemestingstypes  moeilijk aan te tonen zijn. 

Link: C.4.4.2
[289]
Minerale mest bevat geen organische stof.
Link: C.4.1
[290]
Er is discussie of minerale mest wel of niet tot een verhoging van het organische koolstofgehalte in de bodem leidt.
Enerzijds bevordert minerale bemesting de gewasgroei. Dit zorgt voor een verhoging van gewasresten die op het veld achterblijven, meer wortels en meer stoffen die door wortels worden uitgescheiden (wortelexudaten). Hierdoor draagt minerale mest bij tot de opbouw van organische stof. Of dit voldoende is om de natuurlijke afbraak van bodem organische stof te compenseren hangt af van de gewasrespons op de minerale bemesting, maar ook van andere factoren zoals gewasrotatie, bewerking en het organische stofniveau bij aanvang.
Sommigen beweren echter dat minerale bemesting de afbraak van bodem organische stof versnelt.  Om te groeien hebben micro-organismen zowel koolstof als stikstof nodig. Bij toediening van minerale stikstof aan de bodem zonder begeleidende organische koolstof (zoals bij dierlijke mest of compost) moeten micro-organismen een andere koolstofbron aanspreken om in hun energievoorziening te voorzien. Hierdoor zou de bodemorganische stof worden aangetast. Volgens sommigen zouden langdurige proefveldresultaten hierop wijzen. De interpretatie van deze resultaten wordt echter door anderen betwist.
We kunnen besluiten dat de organische stofbalans van veel factoren afhangt en dat de optelsom van alle effecten zal uitmaken of het organische koolstofgehalte van de bodem al dan niet verhoogd zal worden.

Link: kader 8
[291]
Afhankelijk van de samenstelling heeft een minerale meststof een zure, neutrale of basische werking op de bodem. Zuurwerkende meststoffen verlagen de pH. Basisch werkende meststoffen verhogen de pH. Ammoniummeststoffen vb. verlagen de pH omdat de bacteriële omzetting van ammonium in nitraat verzurend werkt.
Kalkmeststoffen zijn meststoffen die voor het grootste deel bestaan uit basisch werkende calcium- en magnesiumverbindingen. Ze verhogen de pH.

Link: 4.2.3
[292]
Bij minerale bemesting zijn de voedingstoffen al in minerale vorm aanwezig en dus direct beschikbaar voor de plant. Minerale bemesting leidt niet tot een rechtstreekse opbouw van organische stof en organische stikstof. Op termijn zal de mineralisatie van organische stof en de vrijstelling van stikstof daarom lager zijn dan bij organische bemesting.

Link: C.4.2
[293]
De voedingsstoffen in minerale mest zijn vrijwel onmiddellijk beschikbaar voor de plant. Er zijn meststoffen op de markt, de zogenaamde slow en controlled release meststoffen, waarbij de voedingststoffen meer geleidelijk ter beschikking komen (periode van enkele weken tot maanden). Hierdoor kan de benutting worden vergroot en is er minder risico op verlies.

Link: C.4.5.1
[294]
Minerale bemesting leidt niet rechtstreeks tot opbouw van organische stof en organische stikstof. Indien de toegediende minerale stikstof op korte termijn niet benut wordt door de plant is er een grote kans dat de stikstof verloren gaat via uitspoeling of vervluchtiging. Minerale bemesting draagt dus op lange termijn niet bij tot de N-beschikbaarheid.
[295]
De aggregaatstabiliteit is nauw verbonden met het organische stofgehalte van de bodem. Indien minerale bemesting leidt tot een verhoging van gewasresten en dit het  bodem organische stofgehalte verhoogt,  wordt dus ook verwacht dat de aggregaatstabiliteit zal stijgen.
Over het algemeen wordt van minerale bemesting maar kleine effecten verwacht.

Link: C.4.3.1
[296]
Het is onduidelijk welke impact minerale bemesting heeft op de bodemdichtheid in vergelijking met onbemeste velden. Wel is het zo dat organische bemesting (dierlijke mest en compost) over het algemeen tot een lagere bodemdichtheid leidt dan mineraal bemeste velden.

Link: C.4.3.2
[297]
De impact van minerale bemesting op de microbiële biomassa  is beperkt in vergelijking met organisch bemeste velden.

Link: C.4.4.1
[298]
Minerale stikstof bevoordeelt bacteriën waardoor de schimmel/bacterie verhouding daalt. Het blijkt echter moeilijk om deze stelling aan te tonen met data van lange termijn experimenten.

Link: C.4.4.1
[299]
Het relatieve aandeel bacterie-etende nematoden zou toenemen bij het toedienen van meststoffen met veel minerale stikstof. Data van lange termijn experimenten wijzen echter uit dat verschillen tussen bemestingstypes  moeilijk aan te tonen zijn. 

Link: C.4.4.2
[300]
Het feit dat minerale bemesting zorgt voor een betere gewasgroei en dus meer gewasresten is positief voor de regenwormenpopulatie. Minerale bemesting kan echter ook negatief zijn voor regenwormen indien de stikstofdosissen te hoog zijn. Vooral verzurende meststoffen hebben een negatief effect.

Link: C.4.4.4
[301]
Een overmaat en een onevenwichtig aanbod van voedingstoffen kan de plant gevoeliger maken aan ziekten en plagen.

Link: C.4.5.2
[302]
Veel onkruiden zijn stikstofminnend waardoor bemesting de onkruiddruk verhoogt. De snelheid van vrijgave van nutriënten heeft een sterke invloed op de competitie tussen onkruid en gewas.

Link: C.5.2
[303]
Bemesting zorgt voor voedingsstoffen voor de plant en heeft daardoor een positieve impact op de gewasopbrengst. Voedingstoffen aangebracht via minerale bemesting zijn snel beschikbaar waardoor er een snelle gewasrespons is.

Link: C.4.5.3
[304]
Dierlijke meststoffen bevatten organische stof naast anorganische stoffen. Ze kunnen op basis van inhoud en vorm in een drietal groepen worden onderverdeeld: drijfmest of mengmest, vaste mest, en gier.
Link: C.4.1
[305]
Aangezien door toepassing van dierlijke mest naast voedingsstoffen ook organische koolstof aan de bodem wordt toegevoegd, heeft dierlijke mest een gunstig effect op de bodem organische stofopbouw.
Niet alle dierlijke mesttypes zijn even effectief voor de opbouw van bodem organische stof. Dit hangt af van de samenstelling (bijvoorbeeld droge stofinhoud) en de afbreekbaarheid van de meststof. Dierlijke mestsoorten die traag afbreken zullen meer bijdragen aan de organische stofopbouw van de bodem dan meststoffen die snel afbreken. Gier en drijfmestsoorten dragen het minste bij aan de organische stofopbouw van de bodem. Deze mestsoorten bevatten weinig organische koolstof en breken snel af. 
Runderdrijfmest draagt per eenheid aangebracht stikstof of fosfor meer bij tot de organische stofopbouw dan varkensdrijfmest. Stalmest is het meest gunstig voor het bodemorganische stofgehalte.

Link: C.4.2.1
[306]
Afhankelijk van het type heeft een dierlijke meststof een zure of basische werking op de bodem. Drijfmest kan verzurend werken. Stalmest werkt basisch.

Link: C.4.2.3
[307]
De snelheid waarmee dierlijke mest mineraliseert is ondermeer afhankelijk van de afbreekbaarheid van de dierlijke mest.
Stalmest zal trager mineraliseren dan drijfmest.

Link: C.4.2
[308]
Dierlijke mest bevat minerale stikstof die direct beschikbaar is voor de gewassen. Daarnaast bevat het ook een organische component. De voedingsstoffen die hierin zijn vervat moeten via het bodemleven ter beschikking komen van de plant en zijn dus niet direct beschikbaar. De snelheid van dit proces is naast de afbreekbaarheid van die organische fractie afhankelijk van factoren zoals temperatuur, vocht en de activiteit en de samenstelling van het bodemleven.
Omdat de organische fractie van drijfmest sneller afbreekt dan van stalmest zullen nutriënten sneller ter beschikking komen bij de toepassing van drijfmest dan bij stalmest.

Link: C.4.2.2
[309]
Op langere termijn zorgt dierlijke mest of compost voor opbouw van bodemorganische stof. Na verloop van tijd gaat die bodemorganische stof mineraliseren waardoor gaandeweg meer stikstof vrijkomt.

Link: C.4.2.2
[310]
De aggregaatstabiliteit is nauw verbonden met het organische stofgehalte van de bodem. Aangezien dierlijke mest het organische stofgehalte van de bodem kan verhogen heeft het ook een positief effect op de aggregaatstabiliteit.

Link: C.4.3.1
[311]
Omwille van zijn organische component verlaagt dierlijke mest over het algemeen de bodemdichtheid. Dit effect kan echter niet steeds aangetoond worden. Niet alleen het type mest maar ook de toedieningswijze is belangrijk. Bij toediening van dierlijke mest worden vaak zware machines ingezet waardoor het risico op verdichting (dus verhoging van de bodemdichtheid) onder de rijsporen toeneemt. Dit is vooral het geval wanneer de bodem relatief nat is.

Link: C.4.3.2
[312]
Over het algemeen stijgt de microbiële biomassa met hogere organische koolstofgehaltes van de bodem. Het toedienen van organische bemesting zoals dierlijke mest of compost verhoogt dus de microbiële biomassa. Hoewel verschillen te verwachten zijn tussen de verschillende organische mestsoorten, blijken die moeilijk aantoonbaar in veldproeven.

Link: C.4.4.1
[313]
Doorgaans wordt de bacteriële biomassa gestimuleerd door toediening van organisch materiaal met veel stikstof en snel afbreekbare organische verbindingen zoals drijfmest. De schimmelbiomassa stijgt daarentegen bij toediening van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal zoals stalmest. In lijn met die verwachtingen wordt een hogere schimmel/bacterie verhouding waargenomen bij regelmatige toediening van stalmest dan bij de toediening van drijfmest.

Link: C.4.4.1
[314]
Het relatieve aandeel bacterie-etende nematoden zou toenemen bij het toedienen van meststoffen met veel minerale stikstof en gemakkelijk afbreekbaar organisch materiaal (drijfmest). Het relatieve aandeel schimmeletende nematoden zou toenemen bij het toedienen van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal (stalmest). Data van lange termijn experimenten wijzen echter uit dat verschillen tussen bemestingstypes  moeilijk aan te tonen zijn. 

Link: C.4.4.2
[315]
Organische mest is over het algemeen gunstiger voor regenwormen dan minerale bemesting omdat het naast het stimuleren van gewasgroei via zijn organische component in extra voedsel voorziet. Grote hoeveelheden  meststoffen die hoge dosissen ammonium of zouten bevatten moeten echter worden vermeden omdat die toxisch kunnen zijn voor de regenwormen.
Experimenten wijzen uit dat stalmest en drijfmest het gunstigst zijn voor de regenwormenpopulatie. Meer onderzoek is echter nodig om dit te bevestigen.

Link: C.4.4.4
[316]
Het effect van diverse dierlijke mestsoorten op ziekteonderdrukking is veel minder onderzocht dan bij compost. Een aantal experimenten in Vlaanderen en Nederland wijzen uit dat dierlijke mest ziekteonderdrukkend kan werken. De resultaten zijn echter te divers en te variabel om eenduidige conclusies te kunnen trekken.

Link: C.4.5.2
[317]
Veel onkruiden zijn stikstofminnend waardoor bemesting de onkruiddruk verhoogt. De snelheid van vrijgave van nutriënten heeft een sterke invloed op de competitie tussen onkruid en gewas. Organische mest kan bijdragen tot de verspreiding van onkruidzaden.

Link: C.5.2
[318]
Organische bemesting, zoals met dierlijke mest, voorziet niet alleen in voedingsstoffen maar is ook gunstig voor de organische stofopbouw, de fysische en biologische bodemkwaliteit en ziekteweerbaarheid van de bodem. Op langere termijn zou dit een meerwaarde moeten bieden en leiden tot grotere gewasopbrengsten. Enkele studies bewijzen deze meerwaarde, maar dit kan niet universeel worden aangetoond. Veel hangt af van de lokale situatie. Uit lange termijnexperimenten blijkt dat wellicht heel grote verschillen in bodemorganischestof, veroorzaakt door de toepassing van organische bemesting, nodig zijn vooraleer een meerwaarde voor de gewasopbrengst (los van de voorziening in voedingststoffen) gerealiseerd kan worden. Meer onderzoek is echter noodzakelijk.
De samenstelling van dierlijke mest is heel variabel. Er zijn dierlijke mestsoorten zoals drijfmest die eerder gewasvoedend zijn. Zij bevatten veel direct opneembare voedingsstoffen en worden gekenmerkt door een snelle mineralisatie van hun organische fractie. Andere dierlijke mestsoorten zoals stalmest zijn eerder bodemvoedend. Ze bevatten veel trager afbreekbare organische stof. De nutriënten in bodemvoedende mestsoorten komen dus langzaam vrij.
Een combinatie van zowel plantenvoedende als bodemvoedende mestsoorten leidt tot de beste resultaten.

Link: C.4.5.3
[319]
Compost bestaat uit (stabiele) organische componenten (humus), minerale componenten en bodemorganismen. Het uitgangsmateriaal kan zowel van plantaardige als dierlijke oorsprong zijn. De grote variatie aan uitgangsmaterialen en composteringsomstandigheden zorgt ervoor dat de samenstelling en de eigenschappen van compost heel variabel zijn.
Link: C.4.1
[320]
Om dezelfde redenen als bij dierlijke bemesting verhoogt compost het organisch koolstofgehalte van de bodem. Omdat compost traag afbreekt, is compost effectiever voor de organische stofopbouw dan dierlijke mest. Compost is een heel variabel product. De aanbreng van effectieve organische koolstof (de koolstof die na één jaar nog aanwezig is in de bodem) verschilt tussen compostsoorten en is afhankelijk van het materiaal waaruit het is gemaakt en het composteringsproces. Groencompost is doorgaans iets beter voor de aanbreng van effectieve organische stof dan GFT-compost omdat groencompost meer houtachtige materialen bevat.

Link: C.4.2.1
[321]
Compost werkt basisch en vormt een buffer tegen verzuring.

Link: C.4.2.3
[322]
De snelheid waarmee compost mineraliseert is ondermeer afhankelijk van de afbreekbaarheid van de compost.
Compost mineraliseert over het algemeen trager dan dierlijke mestsoorten.

Link: C.4.2
[323]
Compost bevat minerale stikstof die direct beschikbaar is voor de gewassen. Daarnaast bevat het ook een organische component. De voedingsstoffen die hierin zijn vervat moeten via het bodemleven ter beschikking komen van de plant en zijn dus niet direct beschikbaar. De snelheid van dit proces is naast de afbreekbaarheid van die organische fractie afhankelijk van factoren zoals temperatuur, vocht en de activiteit en de samenstelling van het bodemleven. Omdat de organische fractie van compost traag afbreekt komt de stikstof traag ter beschikking.
Bij toepassing van compost is het afhankelijk van de samenstelling (koolstof/stikstof-verhouding) mogelijk dat de beschikbare stikstof tijdelijk lager is dan indien compost niet zou zijn toegepast. Dit komt omdat het bodemleven de aanwezige stikstof uit de bodem gebruikt om de compost af te breken. Dit heet stikstofimmobilisatie. Na verloop van tijd komt deze geïmmobiliseerde stikstof terug vrij en dus ter beschikking van de plant.

Link: C.4.2.2
[324]
De aggregaatstabiliteit is nauw verbonden met het organische stofgehalte van de bodem. Aangezien compost het organische stofgehalte van de bodem verhoogt, heeft het een positief effect op de aggregaatstabiliteit. Omdat compost meer bijdraagt tot bodem organische stof dan dierlijke mest wordt er verwacht dat compost ook tot een hogere aggregaatstabiliteit zal leiden. Dit wordt bevestigd door een vergelijkende proef met GFT-compost en drijfmest waaruit blijkt dat compost de aggregaatstabiliteit meer verhoogt dan drijfmest. Een combinatie van beiden leidt echter tot de beste resultaten.

Link: C.4.3.1
[325]
De toepassing van compost aan de bodem verlaagt over het algemeen de bodemdichtheid in de bouwvoor, en verhoogt met andere woorden de totale porositeit en het waterbergend vermogen.

Link: C.4.3.2
[326]
Doorgaans is de schimmelbiomassa hoger bij toediening van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal. Vooral houtige organische componenten kunnen hier een grote rol spelen. Op die manier zou de toediening van compost de schimmel/bacterie verhouding in de bodem kunnen verhogen, vooral wanneer het aandeel bruine componenten of onverteerd houtig materiaal relatief hoog is. Niet enkel de samenstelling van compost maar ook de composteerduur is bepalend voor de schimmel/bacterie verhouding in de compost: een langere composteerduur geeft een hogere verhouding.

Link: C.4.4.1
[327]
Het relatieve aandeel schimmeletende nematoden zou toenemen bij het toedienen van moeilijker afbreekbaar organisch materiaal (compost). Data van lange termijn experimenten wijzen echter uit dat verschillen tussen bemestingstypes  moeilijk aan te tonen zijn. 

Link: C.4.4.2
[328]
Organische mest is over het algemeen gunstiger voor regenwormen dan minerale bemesting omdat het naast het stimuleren van gewasgroei via zijn organische component in extra voedsel voorziet.

Link: C.4.4.4
[329]
Veel experimenten wijzen uit dat compost een ziekteonderdrukkend effect heeft. De resultaten zijn echter sterk variabel en voorlopig kan het niet voorspeld worden aan de hand van composteigenschappen in welke mate een bepaalde compost ziekteonderdrukkend zal werken en tegen welke ziekten. Het meeste onderzoek gebeurde via potproeven. Veldproeven wijzen uit dat een grote ziekteonderdrukking (>50%) slechts bereikt kan worden met grote toepassingen van compost (>100 ton/ha). De mestwetgeving laat dergelijke eenmalige grote dosissen niet toe. Vraag blijft of goede effecten ook met herhaalde kleinere toepassingen van compost bereikt kunnen worden.

Link: C.4.5.2
[330]
Veel onkruiden zijn stikstofminnend waardoor bemesting de onkruiddruk verhoogt. De snelheid van vrijgave van nutriënten heeft een sterke invloed op de competitie tussen onkruid en gewas.
De compostering moet goed worden uitgevoerd. Tijdens het proces moet een voldoende hoge temperatuur worden bereikt (>60-70°C) zodat onkruidzaden hun kiemkracht verliezen.

Link: C.5.2
[331]
Compost voorziet niet alleen in voedingsstoffen maar is ook gunstig voor de organische stofopbouw, de fysische en biologische bodemkwaliteit en ziekteweerbaarheid van de bodem. Op langere termijn zou dit een meerwaarde moeten bieden en leiden tot grotere gewasopbrengsten. Voor meer uitleg wordt verwezen naar het kader 'Dierlijke mest en gewasopbrengst'.
Compost zorgt vooral voor het voeden van de bodem. Alleen compost toepassen zou negatief zijn voor de gewasopbrengst omdat de beschikbaarheid van stikstof uit compost op korte termijn laag is. Bij herhaaldelijke toepassingen zal de mineralisatie en dus ook de stikstofbeschikbaarheid op termijn stijgen.
In combinatie met plantvoedende meststoffen worden de beste resultaten behaald.

Link: C.4.5.3